Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/5.3.2
5.3.2 Geheimhoudingsbepalingen rechterlijke colleges
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285351:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 56.
Zie: Appendix A voor de toenmalige teksten van o.a. art. 18 en art. 23, derde lid, Warb en art. 28 Wet RO over het geheim van de raadkamer.
Wet van 3 juni 1992 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Ambtenarenwet 1929, de Beroepswet en enkele andere wetten (integratie raden van beroep/Ambtenarengerechten en arrondissementsrechtbanken; vereenvoudiging regelingen vorming en bezetting kamers), Kamerstukken II 1990/91, 21 967, Stb. 1992, 278. De wetteksten zijn opgenomen in Appendix A.
MvT, Kamerstukken II 1990/91, 21 967, nr. 3, blz. 17. De geheimhoudingsbepaling is thans opgenomen in art. 13 Wet RO. Door de schakelbepaling in art. 4 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie is art. 13 Wet RO ook van toepassing op het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
MvT, Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 169.
Art. 31 Wet RvS is met ingang van 1 september 2010 (nagenoeg ongewijzigd) verplaatst naar art. 44 Wet RvS. De wetteksten zijn opgenomen in Appendix A.
De geheimhoudingsbepalingen van de rechterlijke colleges werden in de memorie van toelichting genoemd als bepalingen die gehandhaafd dienden te blijven.1 Als argument werd aangevoerd dat de rechterlijke colleges geen bestuursorgaan zijn en omdat voor hen veelal een stringentere geheimhoudingsplicht zou gelden. Het argument dat de bestaande geheimhoudingsbepalingen van de rechtelijke colleges in stand moesten blijven omdat zij geen bestuursorgaan zijn is, gezien art. 1:1, derde lid, Awb, niet geheel zuiver gemotiveerd. Het argument dat de geheimhoudingsbepalingen van de rechterlijke colleges stringenter zouden zijn, was – behoudens het strikte geheim van de raadkamer – slechts gedeeltelijk steekhoudend.2 Zo was destijds weliswaar in bijvoorbeeld art. 25 Beroepswet en art. 20 Ambtenarenwet 1929 een nagenoeg identiek, alomvattend verbod opgenomen om gegevens verder bekend te maken, maar deze stringente bepalingen zijn evenwel per 1 juli 1992 – vóór de inwerkingtreding van de Awb in 1994 – al vervangen door een algemene geheimhoudingsbepaling in art. 28a Wet RO.3 Laatstgenoemd artikel was echter weer ontleend aan art. 2:5 Awb en kan dan niet als stringenter worden bestempeld.4 De geheimhoudingsbepaling in (destijds) art. 123, tweede lid, Wet RvS voor de afdeling rechtspraak van de Raad van State werd met ingang van 1994 gemoderniseerd en verplaatst naar art. 31 Wet RvS.5 Deze bepaling was wel stringenter dan art. 2:5 Awb aangezien de geheimhouding allesomvattend was; de gegevens mochten niet anders worden gebruikt “(…) dan voor de uitoefening van hun functie wordt gevorderd” en er was geen ontheffingsmogelijkheid.6