Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/432
432 Berendt v. Bethlehem Steel Corp
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS369098:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Berendt v. Bethlehem Steel Corp. 154 A. 321 (N.J. Ch. 1931
In 1902 introduceerde Bethlehem Steel een dergelijk bonusplan voor bestuurders, waardoor deze bestuurders naast een vast salaris tevens aanspraak konden maken op een aandeel in de nettowinst. Het aandeel van de bestuurders bleef in de jaren erna stijgen, tot de bestuurders op een gegeven moment ongeveer evenveel mochten verdelen als de aandeelhouders aan dividend kregen uitgekeerd. Deze hoge bonussen leidden ertoe dat de exclusieve buurt in Pennsylvania waar deze bestuurders woonden, in de volksmond werd aangeduid als ‘Bonus Hill’. Wells 2010, p. 699 en 709/710.
Washington 1941, p. 737.
De ‘netto-inkomsten’ werden berekend: “after interest charges and dividends on the preferred stock, but before allowances for depreciation and obsolescence.” Voor 1917 werden de bonussen op gelijke wijze bepaald, maar vanwege oplopende winsten (voornamelijk opgedreven door de oorlogsproductie) en de daarmee samenhangende hogere bonussen had Schwab besloten het reeds bestaande bonussysteem in 1917 te laten ratificeren.
Washington 1941, p. 737. Juridisch gezien geen slechte beslissing, aangezien Schwab de enige was die niet meedeelde in de bonuspool.
Bethlehem verdedigde zich door te stellen dat het bonusplan openbaar gemaakt was in het bestuursverslag in 1917 en wees op het feit dat Schwab enkele malen gesproken had over het ‘million dollar salary’ van de president van Bethlehem.
Tussen 1911 en 1928 heeft Bethlehem in totaal $40.886.996 aan dividenden uitgekeerd aan haar aandeelhouders, terwijl zij in dezelfde periode $31.878.255 betaald heeft aan een klein groepje bestuurders. De helft van dit bedrag is ten goede gekomen aan Eugen Grace. Wells 2010, p. 709-711.
Zie Berendt v. Bethlehem Steel Corp., 154 A. 321 (N.J. Ch. 1931). Berendt et al. hadden vier vorderingen, namelijk: “(a) That though the stockholders fixed the percentage of earnings as bonus to the executives group, it became the duty of the board of directors, composed mainly of the executives, whenever the bonus became excessive, to modify it to a basis of reasonable compensation to the officials, as the by-laws authorized and as they were in conscience bound to do.
(b) That the bonus, intended as a spur to group effort, was calculated inclusive of income derived through expansion by merger and by purchase of other large income producing concerns, regardless of group efficiency and to a degree so manifestly out of proportion to reasonable compensation for individual service or reward for group achievement as to amount to fraud on the common stockholders, who, for the years 1925, 1926, 1927, and 1928 received no dividend, while the executives’ bonus approximated $7.000.000.
(c) That in some years the bonus exceeded the limit of 8 per cent of the net income; and that throughout, the bonus exceeded the stipulated percentage of the net annual income. These claims rest on the failure to make allowances for depletion and obsolescence in determining income. It was to be determined before allowances for depreciation, and the contention is that depreciation does not include loss of assets through destruction or abandonment.
(d) That the bonus was compounded, computed on income from income which should have been paid to common stockholders as dividends.”
Washington 1941, p. 739.
Berendt v. Bethlehem Steel Corp., 108 N. J. Eq. 148, 152, 154 A, 321/322 (1931).
De weg naar een beoordeling van de bezoldiging bij naamloze vennootschappen door de rechter wordt vrijgemaakt door Berendt v. Bethlehem Steel Corp.1 Bethlehem Steel is één van de eerste grote ondernemingen die begint met het bezoldigen van zijn bestuurders met een deel van de nettowinst.2 Vanaf het moment dat Charles M. Schwab de controle verwerft over Bethlehem Steel, voert hij een bonussysteem in.3 Bethlehem Steel is daarmee haar tijd ver vooruit.
In 1929 komen de bezoldigingspakketten in opspraak, wanneer bekend wordt dat de bestuursleden van Bethlehem Steel omvangrijke beloningen hebben ontvangen zonder dat de aandeelhouders daarmee bekend waren.
Twaalf jaar daarvoor, in 1917, heeft Bethlehem een regeling ter goedkeuring aan de aandeelhouders voorgelegd waarin is bepaald dat tussen de 3.34% en maximaal 8% van de netto-inkomsten – het percentage loopt op naarmate de netto-inkomsten hoger worden – in een bonuspool wordt opgenomen ten behoeve van het senior management.4 De verdeling van de bonuspool werd volledig overgelaten aan de discretie van Schwab.5 In de jaren die volgen lopen de netto-inkomsten en de bonussen verder op. Hierdoor komt het voor dat in 1929 ongeveer $4.000.000 verdeeld mag worden onder een paar bestuurders. De president van Bethlehem Steel, Eugen Grace, blijkt in totaal $1.623.753 aan bezoldiging ontvangen te hebben in 1929. De omvang van de bonussen, de discretionaire bevoegdheid van Schwab en het feit dat aandeelhouders niet op de hoogte worden gesteld van de enorme bedragen die jaarlijks worden uitgekeerd, zorgen voor grote publieke verontwaardiging.6 In het bijzonder omdat bekend wordt dat Bethlehem Steel haar bestuurders miljoenen dollars aan bonussen heeft uitbetaald in jaren dat er geen dividend wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders.7
Aandeelhouder Berendt en consorten spannen een rechtszaak aan. De kern van hun vordering vormt de stelling dat de niet-uitvoerende bestuurders van Bethlehem Steel in hadden moeten grijpen toen de bonussen – die in het begin van de jaren ’20 nog vrij bescheiden waren – uitgroeiden tot een dusdanige omvang dat ze aangemerkt kunnen worden als “grossly excessive compensation and as an unconscionable enrichment of the executives at the expense of the stockholders.”8
Schwab probeert de rechtszaak voortijdig te beëindigen door het bezoldigingsplan opnieuw te laten ratificeren door de aandeelhouders. Deze ratificatie lijkt geen problemen op te leveren, aangezien het bestuur in totaal 72% van de stemmen via volmachten in handen heeft.9 Een voorlopige voorziening, toegekend door Vice Chancellor Backes maakt echter een einde aan deze manoeuvre. Backes stelt: “The bonus system is not impugned; the attack is upon its administration. […] the stockholders, ask their trustees, the board of directors, to account for their stewardship; to inform them; and to justify their basis in determining the bonus and its distribution and to make good any deficiency; information which has been withheld from them, avowedly ‘for the good of the service.’ The administration of the bonus system has been sedulously suppressed from the stockholders, the result only coming to their notice recently.”10
Rechter Backes merkt vervolgens op dat een ratificatie van het plan een geval van ‘waste’ niet kan legitimeren. Slechts bij een unanieme stemming voor het plan zouden aandeelhouders kunnen besluiten tot het weggeven van goederen van de onderneming. Backes verbiedt derhalve het bonussysteem te ratificeren tijdens de algemene vergadering.11 Hij stelt dat de algemene vergadering in het andere geval zou verworden tot: “a battle of proxies, not of wits. It is a foregone conclusion that if the management has a majority, the resolution will be passed regardless of the chairman’s explanation, for the management proxy holders have no discretion – their proxies read to vote approval only. Explanation will be idle, frivolous, falling upon ears not allowed to hear and minds not permitted to judge; upon automatons, whose principals are uninformed of their own injury, if the charges of the bill be well founded, and incapable of appraising the rights of their fellow stockholders, or to bind them by majority rule.”12
Als voor de bestuurders van Bethlehem duidelijk wordt dat de rechtszaak doorgang zal gaan vinden, treffen zij een schikking. Bethlehem neemt een nieuw bezoldigingsplan aan, waarin de bezoldiging wordt beperkt en belooft in het vervolg gedetailleerdere informatie te verstrekken aan de aandeelhouders over de bezoldiging binnen de onderneming.
De Bethlehem-zaak draagt bij aan een groeiend besef bij aandeelhouders dat de mogelijkheid bestaat de bezoldiging van bestuurders te laten beoordelen door de rechter. De vordering dat bezoldiging aangemerkt kan worden als ‘grossly excessive’ en daarom beschouwd dient te worden als ‘waste’ lijkt kans van slagen te hebben.13 Daarmee wordt de weg bereid voor meer rechtszaken.