Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/3.3
3.3 Het tweede argument: aandeelhouders als ‘residual claimants’
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS296520:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Jensen & Meckling 1976, p. 305-360.
Alchian & Demsetz 1971, p. 777-795.
Bratton 1989, p. 415. Deze productiefactoren dienen echter breder, althans meer gespecificeerd, te worden beschouwd dan de ‘klassieke productiefactoren’, zijnde land of hulpstoffen, arbeid en kapitaal. Zie in dit verband: Easterbrook& Fischel 1983, p. 401: ‘The many factors of production assemble under the corporate umbrella: investors contribute capital, managers entrepreneurial skills, engineers their distinctive skills, and so on.’
Hoewel het woord contract wordt gebruikt, is dit in een juridische context niet geheel juist. Een betere omschrijving zou zijn: een nexus van wederkerige verplichtingen. Zie in dit verband en voor een verklaring waarom het woord contract toch wordt gehanteerd: Eisenberg 1998/99, p. 822.
Zie in dit verband ook De Jongh, die erop wijst dat de vennootschap ertoe strekt een centrale kapstok te creëren als wederpartij van betrokkenen bij de vennootschap (De Jongh 2014, p. 385).
Easterbrook & Fischel 1983, p. 395-427.
Met het contract wordt niet per definitie een overeenkomst in de zin van de wet bedoeld, maar eerder op het in voetnoot 22 omschreven samenwerkingscontract. Deze samenwerkingsovereenkomst kan wel (ten dele) worden vastgelegd in een contract, bijvoorbeeld in geval van aandeelhouders jegens elkaar in een aandeelhoudersovereenkomst.
Zie evenzo: De Jongh 2014, p. 386.
Dit is een van de voordelen van een ontwikkeld vennootschapsrecht; dat partijen minder zelf over bepalingen behoeven te onderhandelen, omdat er minder sprake is van rechtsonzekerheid.
Easterbrook & Fischel 1983, p. 403.
Pacces geeft aan waaruit deze onvolledigheid van contracten bestaat, namelijk uit het niet kunnen vastleggen van alle mogelijke toekomstige gebeurtenissen, maar over het antwoord op de vraag waarom contracten onvolledig zijn wordt tot op heden is in de rechtseconomische wetenschap nog geen consensus bereikt. Zie in dit verband: Pacces 2007, p. 158-164 en de aldaar opgenomen literatuur.
Easterbrook & Fischel 1983, p. 402. Zie in dit verband ook: Pacces 2007, p. 70. Interessant is dat een vergelijkbare overweging kan worden gevonden in de Nederlandse wet, namelijk dat aan de algemene vergadering alle bevoegdheden toebehoren die niet aan het bestuur of aan anderen zijn toegekend (artikel 2:107/217 lid 1 BW). De vraag is overigens hoe deze wettelijke bepaling zich verhoudt tot de overwegingen van de Hoge Raad in HR 13 juli 2007, JOR 2007, 178 m.nt. Nieuwe Weme (ABN AMRO), waar wordt overwogen: ‘(…) dat de algemene vergadering van aandeelhouders haar opvattingen terzake tot uitdrukking kan brengen door uitoefening van de haar in wet en statuten toegekende rechten.’Easterbrook & Fischel vinden als gevolg hiervan ook dat het stem- en winstrecht van aandeelhouders aan elkaar gekoppeld dient te zijn; de ‘one share-one vote’ regel (Easterbrook & Fischel 1991, p. 67-70).
Easterbrook & Fischel 1983, p. 403. Zie hierover ook: De Jongh 2014, p. 386.
In de praktijk liggen de beslissingsbevoegdheden voornamelijk bij de curator, die immers de faillissementsboedel beheert. Crediteuren hebben wel de mogelijkheid het faillissement aan te vragen en kunnen opkomen tegen machtigingen van de rechter commissaris en de rechter commissaris verzoeken de curator te dwingen tot het (niet) verrichten van een bepaalde handeling (artikel 67 en 69 Fw).
Easterbrook & Fischel 1983, p. 405.
Het tweede rechtseconomische argument is dat de aandeelhouders dienen te worden beschouwd als de ‘residual claimants’ van de vennootschap. Dit heeft tot gevolg dat het voor het maximaliseren van de efficiëntie noodzakelijk zou zijn om aandeelhouders belangrijke zeggenschapsrechten toe te kennen, waarbij specifiek wordt gewezen op het stemrecht.
Alvorens over te gaan tot een analysering van de aandeelhouder als ‘residual claimant’, dient het concept ‘nexus of contracts’ te worden toegelicht, omdat het argument van de aandeelhouders als ‘residual claimant’ zoals voorgestaan door Easterbrook en Fischel op dit begrip voortbouwt.
Het concept ‘nexus of contracts’ werd geïntroduceerd door Jensen en Meckling in hun artikel genaamd Theory of the Firm: Managerial Behavior, Agency Costs and Ownership structure,1 waarin zij voortbouwden op onder meer het werk van Alchian en Demsetz.2 Zij omschreven de vennootschap als een juridische fictie, welke dienst doet als een ‘nexus’ voor het aangaan van contractuele relaties. Deze contractuele relaties worden aangegaan door de individuele factoren van productie.3 Anders gezegd, de juridisch gefingeerde vennootschap maakt het mogelijk voor verschillende productiefactoren om samen te werken middels ‘contracten’,4 iets dat onmogelijk, althans veel lastiger, zou zijn zonder de vennootschapsvorm.5
Easterbrook en Fischel hanteren de ‘nexus of contracts’ als uitgangspunt wanneer zij het residual claimant argument introduceren in hun artikel Voting in Corporate Law.6 Zij concluderen dat deze contracten nooit volledig kunnen zijn; het is immers ondoenlijk alle onderdelen van het ‘contract’7 volledig te specificeren, zeker wanneer het (toekomstige) gedragingen jegens elkaar betreft.8 Hoewel deze onderdelen van het contract dus praktisch niet kunnen worden overeengekomen, kunnen zij wel essentieel zijn. De wettelijke regeling betreffende de kapitaalvennootschap wordt binnen deze opvatting gezien als een standaard contractvorm, waardoor in mindere mate onderhandeld hoeft te worden over de precieze bepalingen van het contract, welke bepalingen tezamen de vennootschap vormen, en waarbij (ook middels uitgebreide jurisprudentie),9 veel bepalingen tussen partijen reeds duidelijk zijn.10
Een uitgebreide en (in de jurisprudentie verder) ontwikkelde wettelijke regeling ten spijt, vaak zal deze niet voldoende gedetailleerd zijn om de vennootschap goed te laten functioneren. Er doen zich altijd situaties voor waarvoor geen, al dan niet door partijen onderling opgestelde, bepaling bestaat.11 Iets moet deze lacune vullen. In de visie van Easterbrook en Fischel kan het stemrecht als zodanig functioneren. Het stemrecht is derhalve het recht om te beslissen over al hetgeen niet is vastgelegd in het contract, of dat nu uit de wet, jurisprudentie of onderlinge overeenkomsten voortvloeit.12
Hierboven is reeds vanuit de scheiding van ‘ownership’ en ‘control’ uitgelegd waarom aandeelhouders rechten (om te beslissen) aan de bestuurders delegeren. Binnen het ‘residual claimant’ argument zijn de achterliggende opvattingen niet anders, ondanks het feit dat de aandeelhouder niet écht als eigenaar wordt beschouwd. Ook in deze opvatting mandateert de aandeelhouder een deel van zijn bevoegdheden aan het bestuur, omdat het niet efficiënt zou zijn deze bevoegdheden zelf uit te oefenen.
Stemrecht bestaat derhalve – kort gezegd – volgens Easterbrook en Fischel, omdat contracten niet compleet zijn en iemand de bevoegdheid moet hebben om te beslissen wanneer er een lacune bestaat, maar waarom hebben aandeelhouders dit recht en bijvoorbeeld werknemers, crediteuren of bestuurders niet?
Easterbrook en Fischel menen dat deze bevoegdheid aan aandeelhouders toekomt, omdat zij de ‘residual claimants’ op (de waarde van) de vennootschap zijn.13 Ter illustratie: obligatiehouders krijgen een vast percentage over het uitgeleende bedrag en werknemers kunnen tevoren onderhandelen over hun salaris, maar aandeelhouders zijn volledig afhankelijk van de prestaties van de vennootschap. Eenvoudig gesteld zijn zij het laatste aan de beurt en profiteren zij (relatief) het meeste in goede tijden en lijden zij het meeste verlies in slechte tijden. Hun positie is het meest afhankelijk van de financiële resultaten van de vennootschap.
Omdat aandeelhouders in deze positie verkeren, zijn zij volgens Easterbrook en Fischel de stakeholder met de beste prikkel om goede en efficiënte beslissingen binnen de vennootschap te nemen. Werknemers, bestuurders en obligatiehouders zijn in beginsel voorzien van een vast(e) inkomen/vergoeding, waardoor zij ten opzichte van aandeelhouders minder geneigd zouden zijn om te streven naar het meest efficiënte resultaat (lees: de meeste winst) voor de vennootschap. Easterbrook en Fischel wijzen, om hun argument kracht bij te zetten, ook op de verplaatsing van de ‘residual claim’ in geval van faillissement. Wanneer de vennootschap failliet is, verliezen aandeelhouders de voornoemde aansporing. Zij zullen immers (bijna) nooit enige vorm van compensatie krijgen. De ‘residual claim’ verplaatst zich in een dergelijke situatie naar de crediteuren, die de meeste baat hebben bij een zo hoog mogelijke opbrengst in een faillissement en derhalve worden aangespoord tot goede en efficiënte beslissingen.14
Aandeelhouders hebben derhalve zeggenschapsrechten, omdat zij de ‘residual claimants’ zijn, maar waarom kunnen deze zeggenschapsrechten, althans volgens deze opvatting, niet gedeeld worden met andere belanghebbenden? Anders gevraagd, waarom kunnen de werknemers niet zeggenschapsrechten hebben naast die van de aandeelhouders? Volgens Easterbrook en Fischel is dit onwenselijk, omdat het toekennen van zeggenschapsrechten aan meerdere belanghebbenden ‘agency costs’ tot gevolg heeft.15 Immers, belanghebbenden die niet de beste aansporing hebben om goede en efficiënte beslissingen te nemen krijgen in die situatie ook zeggenschapsrechten, hetgeen de economische waardestijging van de vennootschap zou verminderen. Daarnaast hebben dezelfde ‘soort’ belanghebbenden (doorgaans) hetzelfde belang, hetgeen consistentie tot gevolg heeft. Wanneer verschillende belanghebbenden invloed krijgen, brengt dat inconsistent beleid met zich mee, hetgeen onwenselijk is.