Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht
Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/2.3.6:2.3.6 Het resultaat
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/2.3.6
2.3.6 Het resultaat
Documentgegevens:
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS464354:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 53 lid 1 WvK (vergelijk thans art. 2: 345 lid 1 BW):
Op schriftelijk verzoek van degenen die krachtens het volgende lid daartoe bevoegd zijn of op vordering van de procureur-generaal om redenen van openbaar belang, kan de ondernemingskamer van dit gerechtshof een of meer personen benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap hetzij in de gehele omvang daarvan, hetzij met betrekking tot een gedeelte of tot een bepaald tijdvak.
Art. 53 lid 2 WvK (vergelijk thans art. 2: 346 en 347 BW):
Tot het indienen van een verzoekschrift zijn bevoegd:
een of meer houders van aandelen of certificaten van aandelen, die alleen of gezamenlijk tenminste een tiende gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen of rechthebbenden zijn op een bedrag van aandelen of certificaten daarvan tot een nominale waarde van f. 500.000, of zoveel minder als de statuten bepalen;
een vereniging van werknemers, die in de onderneming werkzame personen onder haar leden telt en tenminste twee jaar in het bezit is van rechtspersoonlijkheid, mits zij krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van haar leden als werknemers te behartigen en als zodanig in de bedrijfstak of onderneming werkzaam is;
degenen, aan wie daartoe bij de akte van oprichting of bij overeenkomst met de vennootschap de bevoegdheid is toegekend.
Art. 53 lid 4 WvK (vergelijk thans art. 2: 349a lid 1 BW):
De ondernemingskamer behandelt het verzoek of de vordering met de meeste spoed (...).
Art. 53a lid 1 WvK (vergelijk thans art. 2: 349 lid 1 en 2 BW):
De verzoekers en de procureur-generaal zijn niet ontvankelijk, indien niet blijkt dat zij schriftelijk tevoren hun bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken hebben kenbaar gemaakt aan het bestuur en de commissarissen, zo die er zijn, en sindsdien een zodanige termijn is verlopen dat de vennootschap redelijkerwijze de gelegenheid heeft gehad deze bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen. Een vereniging van werknemers is voorts niet ontvankelijk, indien zij niet tevoren de ondernemingsraad, die aan een door de vennootschap gedreven onderneming is verbonden, in de gelegenheid heeft gesteld schriftelijk van zijn gevoelen te doen blijken. De procureur-generaal deelt bij zijn vordering mede of hij de ondernemingsraad in de gelegenheid heeft gesteld van zijn gevoelen te doen blijken.
Art. 53a lid 2 WvK (vergelijk thans art. 2: 350 lid 1 BW):
De ondernemingskamer wijst het verzoek of de vordering slechts toe, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen.
Art. 53a lid 3 WvK (vergelijk thans art. 2: 350 lid 2 BW):
Indien de ondernemingskamer het verzoek afwijst, en daarbij beslist dat het naar haar oordeel niet op redelijke grond is gedaan, kan de vennootschap tegen de verzoeker of verzoekers bij de ondernemingskamer een eis instellen tot vergoeding van de schade die zij ten gevolge van het verzoek lijdt (...).
Art. 53e WvK (vergelijk thans art. 2: 354 BW):
De ondernemingskamer kan na kennisneming van het verslag op verzoek van de vennootschap beslissen, dat deze de kosten van het onderzoek geheel of gedeeltelijk kan verhalen op de verzoekers, indien uit het verslag blijkt dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan, dan wel op een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst der vennootschap is, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de vennootschap (...).
Art. 54 lid 1 WvK (vergelijk thans art. 2: 355 lid 1 BW):
Indien uit het verslag van wanbeleid is gebleken, kan de ondernemingskamer op verzoek van de oorspronkelijke verzoekers en, indien het verslag voor hen ter inzage ligt, op verzoek van anderen die aan de in artikel 53, tweede lid, gestelde vereisten voldoen, of op vordering van de procureur-generaal, ingesteld om redenen van openbaar belang, een of meer van de in het volgende artikel genoemde voorzieningen treffen, welke zij op grond van de uitkomst van het onderzoek geboden acht.
Art. 54 lid 4 WvK (vergelijk thans art.2: 355 lid 5 BW):
De ondernemingskamer kan haar beslissing voor een door haar te bepalen termijn aanhouden, indien de vennootschap op zich neemt, bepaalde maatregelen te treffen die een einde maken aan het wanbeleid of die de gevolgen welke daaruit zijn voortgevloeid, zoveel mogelijk ongedaan maken of beperken.
Art. 54a WvK (vergelijk thans art. 2: 356 BW):
De voorzieningen, bedoeld in het vorige artikel, zijn:
schorsing of vernietiging van een besluit van de bestuurders, van commissarissen, van de vergadering van aandeelhouders of van enig ander orgaan der vennootschap;
schorsing of ontslag van een of meer bestuurders of commissarissen;
tijdelijke aanstelling van een of meer bestuurders of commissarissen;
tijdelijke afwijking van de door de ondernemingskamer aangegeven bepalingen van de akte van oprichting;
ontbinding van de vennootschap.
Art. 54b WvK (vergelijk thans art. 2: 357 BW):
De ondernemingskamer bepaalt de geldingsduur van door haar getroffen tijdelijke voorzieningen; zij kan op verzoek van de verzoekers, bedoeld in artikel 54, of van de vennootschap dan wel op vordering van de procureur-generaal die duur verlengen en verkorten.
De ondernemingskamer regelt zo nodig de gevolgen van de door haar getroffen voorzieningen.
Een door de ondernemingskamer getroffen voorziening kan door de vennootschap niet ongedaan worden gemaakt; een besluit daartoe is nietig.
De ondernemingskamer kan aan degenen die zij tijdelijk aanstelt tot bestuurder of commissaris, een beloning ten laste van de vennootschap toekennen.Zij kan aan hen opdragen haar regelmatig verslag uit te brengen.
De ondernemingskamer spreekt de ontbinding der vennootschap niet uit, wanneer het belang van de aandeelhouders of van degenen die in dienst der vennootschap zijn, dan wel het openbaar belang zich daartegen verzet.