Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/7.3
7.3 Hoofddoelen voor het voeren van een administratie
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180331:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Studieprogramma Leer van de Administratieve Organisatie, De Accountant, orgaan van het Nederlands Instituut van Accountants, 65e jaargang, nr. 6, februari/maart 1959, p. 19.
R.W. Starreveld, Leer van de administratieve organisatie (Bestuurlijke informatieverzorging), Deel 1, Algemene grondslagen, Alphen aan den Rijn: N. Samsom 1962, eerste druk, alle volgende drukken tot en met R.W. Starreveld, O.C. van Leeuwen en H. van Nimwegen, met medewerking van H.B. de Mare en E.J. Joëls, Bestuurlijke informatieverzorging, Deel 1, Algemene grondslagen, Groningen/Houten: Stenfert Kroese 2002, vijfde druk, Appendix A, p. 744, O.C. van Leeuwen en J.B.T. Bergsma, Algemene grondslagen Starreveld, Bestuurlijke informatieverzorging, Groningen/Houten: Noordhoff Uitgevers 2014, zesde druk, p. 15, R.W. Starreveld, ‘Wat is administratie? Heroriëntering omtrent een begripsbepaling’, MAB 1961-02, p. 52- 53 en A.B. Frielink en H.J. de Heer, Leerboek Accountantscontrole, Deel 1, Algemene Grondslagen, Houten: Stenfert Kroese 1994, eerste druk, vierde oplage, p. 13 e.v.; R.W. Starreveld beschreef in zijn artikel ‘Ontwikkeling van het administratiebegrip’, MAB 1961-05, p. 176-184, zeven doeleinden voor de administratie die betrekking hebben op het verkrijgen, beheren, afgeven, verbruiken en verantwoorden van gelden, goederen en diensten alsmede het ontstaan en afwikkelen van vorderingen en schulden. Deze zeven doeleinden kunnen worden samengenomen in de hier beschreven door Starreveld geïdentificeerde drie hoofddoelen.
Deze hoofddoelen heb ik eerder beschreven in: C.M. Harmsen, ‘Artikel 2:10 BW: een vreemde eend in de “10 jaar NBW”-bijt!’, in: S.C.J.J. Kortmann e.a., Onderneming en 10 jaar nieuw Burgerlijk Recht, Serie Onderneming en Recht, deel 24, Deventer: Kluwer 2002, p. 82-83 en C.M. Harmsen, ‘Vonnis inzake Landis: een stap vooruit op het gebied van de administratieplicht’, TvI 2014/27.
Ik zal in de paragrafen 7.3.1, 7.3.2 en 7.3.3 het begrip “onderneming” gebruiken omdat dit de door Starreveld gehanteerde terminologie is. Uitgaande van het juridisch perspectief moet in plaats van “onderneming” gelezen worden “door de rechtspersoon gedreven onderneming”.
Zie paragraaf 7.2.
Rechtbank Almelo 26 augustus 1998, ECLI:NL:RBALM:1998:AG3198, JOR 1998/ 135, m.nt. H. Beckman.
Rechtbank Midden-Nederland 19 juni 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:CA3225, JOR 2013/237, m.nt. U.B. Verboom en C.M. Harmsen, ‘Vonnis inzake Landis: een stap vooruit op het gebied van de administratieplicht’, TvI 2014/27.
In het nieuwe studieprogramma voor de leer van de administratieve organisatie uit 1958 is ook aandacht besteed aan de doeleinden van het administreren en de functies van de administratie. Om een administratieve organisatie op te zetten of te beoordelen of de bestaande administratieve organisatie voldoende is, is alleen een ruime definitie van administreren en administratie niet voldoende. Daarvoor is ook begrip nodig van welke doelen het administreren en de administratie moeten dienen. In het nieuwe studieprogramma werden de volgende doeleinden van het administreren en functies van de administratie onderkend:1
het verschaffen van de voor een rationele bedrijfsvoering benodigde detailinformatie betreffende afzonderlijke elementen van de huishouding;
het verschaffen van geanalyseerde en samengevatte informatie voor de beslissingsvoorbereiding (op de verschillende hiërarchische niveaus);
vastlegging en communicatie ten behoeve van de uitvoering van werkzaamheden;
vastlegging en samenvatting van gegevens voor het afleggen van rekening en verantwoording; beveiliging en controle;
het voldoen aan wettelijke en andere voorschriften, onder meer in verband met verplichte overlegging of publicatie van gegevens.
Starreveld onderscheidde de volgende drie hoofddoelen voor het voeren van de administratie, welke ook terug komen in de door hem gehanteerde definitie van administreren:2,3
het besturen en beheersen van de onderneming4;
het uitvoeren van de binnen de onderneming te verrichten werkzaamheden c.q. het doen functioneren van de onderneming; en
het afleggen van verantwoording over de gang van zaken in de onderneming.
Ook voor de doeleinden van de administratie geldt, dat Starreveld in zijn handboek Leer van de administratieve organisatie uit 1962 afweek van de onderscheiding in hoofddoelen zoals dat was aangebracht in het mede door hem opgestelde Studieprogramma. Met enige welwillendheid kunnen de eerste vier van de vijf hiervoor vermelde doeleinden en functies worden samengebracht in deze hoofddoelen, maar de vijfde, het voldoen aan wettelijke en andere voorschriften, komt in het handboek van Starreveld niet terug.
De door Starreveld in 1962 geïdentificeerde hoofddoelen zijn tot en met de vijfde druk van zijn werk uit 2002 niet gewijzigd. Hoewel in de zesde druk van dit handboek uit 2014 deze hoofddoelen niet meer afzonderlijk worden besproken, volgt uit de daarin gehanteerde omschrijving van bestuurlijke informatieverzorging dat de hiervoor genoemde hoofddoelen nog steeds relevant zijn en deel uitmaken van de omschrijving van het begrip administreren.5 Ook op het gebied van de met de administratie na te streven doeleinden binnen een rechtspersoon, is de uit 1958 daterende visie daarop dus nog steeds geldend.
Beckman omschrijft de administratie als “een belangrijk hulpmiddel voor een doelmatig bedrijfsbeheer”,6 waarin de eerste twee hoofddoelen eenvoudig kunnen worden herkend.
In de visie van Huizink is de administratie niet meer dan een middel om de vennootschap verantwoord te besturen. Wanneer de hoofddoelen voor het voeren van een administratie niet worden behaald, houdt dat wat hem betreft in dat de rechtspersoon mogelijk onbehoorlijk is bestuurd maar niet per se dat ook de administratieplicht niet is nageleefd. Deze visie zet hij uiteen in zijn artikel in TvI over de administratieplicht voor groepsmaatschappijen.7 Huizink gaat in dit artikel ook in op de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland inzake Landis en mijn annotatie daarvan in hetzelfde tijdschrift.8 Huizink concludeert dat als de door mij geformuleerde doelstellingen maar worden gehaald, het bestuur wat dat betreft zijn werkzaamheden naar behoren heeft verricht, onverschillig op welke wijze aan de administratieplicht invulling is gegeven.
Afgezien van het feit dat de drie hoofddoelen van de administratie door Huizink ten onrechte aan mij worden toegeschreven, ben ik het niet oneens met deze conclusie. Maar, anders dan Huizink van mening lijkt te zijn kan aan de met de administratie na te streven doelen naar mijn mening wel worden ontleend wat op basis van artikel 2:10 BW aan administratie bij een rechtspersoon aanwezig mag worden verwacht. De door Huizink gecreëerde tegenstelling, waarbij de met de administratie na te streven hoofddoelen alleen relevant zijn voor het uitoefenen van de bestuurstaak maar niet voor het naleven van de administratieplicht, doet geen recht aan het feit dat ook het naleven van de administratieplicht een bestuurstaak is en de administratie een hulpmiddel is voor het besturen en beheersen van de rechtspersoon.
Juist omdat artikel 2:10 BW – in de woorden van Huizink – “geen duidelijke bepaling”9 is, is het noodzakelijk om handvatten te vinden om te kunnen beoordelen of de administratie voldoet aan de daaraan door artikel 2:10 BW gestelde eisen. Daarvoor is het belangrijk als uitgangspunt te nemen met welke doelen de administratie wordt gevoerd. Deze doelen bepalen mede waarvan een administratie moet worden gevoerd om de rechtspersoon goed te kunnen besturen en daarmee om aan het bepaalde in artikel 2:10 BW te voldoen.
7.3.1 Het besturen en beheersen van de onderneming7.3.2 Het doen functioneren van de onderneming7.3.3 Het afleggen van verantwoording7.3.4 Conclusie