De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/7.4.2.2.1:7.4.2.2.1 De afwikkeling van de nalatenschap bij zuivere aanvaarding
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/7.4.2.2.1
7.4.2.2.1 De afwikkeling van de nalatenschap bij zuivere aanvaarding
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232456:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ik ga voorbij aan de mogelijkheid van samenspanning tussen de materiële erfgenamen en (het bestuur van) de bij dode opgerichte stichting. Voor die situatie zal het leerstuk van de onrechtmatige daad doorgaans een oplossing geven, zie ook Asser/Perrick 4 2017/480.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als de bij dode opgerichte stichting de nalatenschap van de erflater zuiver aanvaardt, zijn de gevolgen daarvan gelijk aan de zuivere aanvaarding door elke andere erfgenaam. Omdat de materiële erfgenamen niet de erfgenamen van de erflater zijn, zijn zij niet persoonlijk aansprakelijk voor de schulden van de nalatenschap. Als de materiële erfgenamen gerechtigd zijn tot het saldo van de nalatenschap nadat alle overige schulden zijn voldaan, is een dergelijke materiële erfgenaam legataris of lastbevoordeelde, afhankelijk van de vraag of de materiële erfgenaam een vorderingsrecht op de bij dode opgerichte stichting verkrijgt. Nadat de overige schulden zijn voldaan, zal de stichting het saldo van de nalatenschap uitkeren aan de materiële erfgenamen.
Als later nog schuldeisers opkomen, zou de omvang van de nalatenschap verkeerd kunnen zijn berekend. De bij dode opgerichte stichting is dan uitgegaan van een te hoog positief saldo van de nalatenschap en heeft op basis daarvan uitkeringen gedaan aan de materiële erfgenamen. Hoewel de later opgekomen schuldeisers nog steeds de enig erfgenaam (de bij dode opgerichte stichting) kunnen aanspreken, heeft dat geen zin. De bij dode opgerichte stichting heeft geen vermogen meer nadat zij haar verplichtingen aan de materiële erfgenamen heeft voldaan. Het aanspreken van de materiële erfgenamen op grond van artikel 3:45 BW (actio Pauliana) is niet mogelijk, het voldoen van een niet op de voet van artikel 4:120 lid 2 BW verminderd legaat is niet onverplicht betaald.1 Wat de schuldeisers wel kunnen doen, is de rechter verzoeken een vereffenaar te benoemen (artikel 4:204 lid 1 letter b BW). In dat geval kan deze vereffenaar nog drie jaar lang wat uit de nalatenschap aan de materiële erfgenamen als legataris of lastbevoordeelde is uitgekeerd terugvorderen (artikel 4:216 BW, van overeenkomstige toepassing op de last bestaande uit een uitgave van geld of van een goed in artikel 4:211 BW).
Als terugvordering niet mogelijk is, kan de schuldeiser hooguit de bestuurders nog aansprakelijk stellen voor het onbetaald blijven van zijn vordering. Hiervoor verwijs ik naar 6.4.1, waar de bestuurdersaansprakelijkheid aan de orde kwam.2 Daar wees ik ook op het belang van aanvaarding van de nalatenschap van de erflater/oprichter onder het voorrecht van boedelbeschrijving door de bij dode opgerichte stichting.