Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.4.4.3.2
14.4.4.3.2 Omstandigheden na het begaan van het beboetbare feit (ex nunc)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940703:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Uiteraard moet bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid in eerste instantie worden gekeken naar de omstandigheden zoals die waren ten tijde van het begaan van het beboetbare feit. Dat betekent dat bijvoorbeeld financiële omstandigheden strafverminderend kunnen werken als die hebben bijgedragen tot het begaan van het beboetbare feit. Aldus ook: Krukkert 2018, p. 234. Vgl. ook paragraaf 14.3.1.
Zie voor een voorbeeld r.o. 4.13 van de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 12 oktober 2018, V-N 2018/55.19, BNB 2018/194, waarin het Hof de proceshouding van de boeteling in de beroepsfase (het eerst erkennen, maar later ontkennen van voorwaardelijk opzet en het aanpassen van verklaringen over de feitelijke gang van zaken) als strafverzwarende omstandigheid liet meewegen. De Hoge Raad heeft dat geaccordeerd (zie r.o. 2.3.2 van het arrest). De Redactie Vakstudie-Nieuws is in de Aantekening kritisch, omdat hierdoor de vrijheid om te verklaren in gevaar zou komen (hetgeen in strijd is met het nemo tenetur-beginsel). Naar mijn mening is dat wat te kort door de bocht, omdat het nemo tenetur-beginsel beschermt tegen gedwongen zelfincriminatie (zie paragraaf 11.2), terwijl in de betreffende casus niet was vastgesteld dat de verklaringen onder dwang (of zonder cautie) waren afgelegd. Bovendien volgt uit de jurisprudentie van het EHRM niet dat dergelijke verklaringen niet gebruikt zouden mogen worden voor de strafmaat (dat is niet hetzelfde als het bewijs van de centrale stellingen). Bij dat laatste moet worden aangetekend dat de Hoge Raad de bescherming van het nemo tenetur-beginsel opvallend genoeg nu juist weer wél heeft uitgebreid naar de strafmaat (zie paragraaf 11.2.4.1).
Zie paragraaf 9.4.17. Zie bijvoorbeeld Rb Zeeland-West Brabant 26 maart 2014, V-N 2014/28.4, Rb Noord-Nederland 16 juli 2015, V-N 2016/9.19.25 en V-N 2016/9.19.26 en de zaak die heeft geleid tot HR 3 februari 2023, V-N 2023/9.18 (art. 81 Wet RO), waarin het Hof de boete zelfs tot nihil had verminderd.
De Redactie Vakstudie-Nieuws gaat uit van een bredere toepassing en leidt uit het arrest een algemene regel af, zie de Aantekening bij Hof Arnhem-Leeuwarden 8 maart 2016, V-N 2016/31.8.
HR 28 maart 2014, V-N 2014/16.7, BNB 2014/194, r.o. 3.4.1-3.4.3 (zie voor de afloop na verwijzing: Hof ’s-Hertogenbosch 13 augustus 2015, V-N 2015/55.22.5). Zie voor enkele voorbeelden ook Hof ’s-Hertogenbosch 23 maart 2022, V-N 2022/30.15, r.o. 4.7 en Hof ’s-Hertogenbosch 11 januari 2023, V-N 2023/19.1.4. Zie voorts paragraaf 9.4.17.
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 6 april 2017, V-N 2017/38.20, r.o. 4.11-4.12.
Hof Amsterdam 5 januari 2009 (kenbaar uit HR 15 oktober 2010, BNB 2011/9, V-N 2010/54.7), r.o. 2.5.25. Het Hof had uit de verslechterde gezondheidstoestand een verminderde arbeidskracht afgeleid.
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 29 december 2022, V-N 2023/36.30.28, Hof Arnhem-Leeuwarden 29 mei 2018, V-N 2018/48.11.
Zie bijvoorbeeld Rb Den Haag 9 oktober 2019, V-N 2020/19.2.3.
Rb Zeeland-West-Brabant 2 oktober 2019, V-N 2020/9.25.10, r.o. 2.7.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 19 mei 2016, V-N 2016/44.14.7, r.o. 5.7 en Rb Gelderland 28 mei 2018, V-N 2018/44.16.
In HR 24 januari 2014, V-N 2014/7.8 had het Hof de boete op deze grond gematigd tot 15 %. Zie voorts Rb Gelderland 6 maart 2019, V-N 2019/36.22, r.o. 14, Rb Zeeland-West Brabant 26 maart 2014, V-N 2014/28.4 en Hof ’s-Hertogenbosch 13 juni 2014, V-N 2014/50.9 (r.o. 4.12). Vgl. ook Rb Noord-Nederland 22 december 2015, V-N 2016/50.2.2, waarin de inspecteur de boete met 10 %-punt had verlaagd omdat de boeteling in de beroepsfase alsnog openheid van zaken had gegeven (in hoger beroep was de hoogte van de boete niet meer in geschil, zie Hof Arnhem-Leeuwarden 26 september 2017, V-N 2018/3.27.4). Idem (naar 90 % verlaagd) in Hof Den Haag 16 november 2016, V-N 2017/11.5 en in Hof Den Haag 30 november 2016, V-N 2017/9.1.1 (het cassatieberoep werd onder verwijzing naar art. 81 Wet RO ongegrond verklaard, zie HR 29 september 2017, NTFR 2017/2500). In Hof ’s-Hertogenbosch 16 juni 2016, V-N 2016/67.5, werden de boetes van een (na ontdekking) volledig meewerkende zwartspaarder overeenkomstig de beleidsmatige uitgangspunten gematigd tot 25 %. Zie ook r.o. 4.5.5 van de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 21 april 2023, V-N 2023/20.13 (art. 81 Wet RO), waarin aan de orde komt dat het latere beleid (het Memo aandachtspunten projecten Verhuld Vermogen) een matiging tot op 45 % voorschreef (waarover nader paragraaf 5.5 van de Conclusie van A-G Wattel voor het arrest, zie V-N 2023/18.15).
Zie zijn toelichting inzake het afzien van het instellen van beroep in cassatie tegen Hof ’s-Hertogenbosch 13 juni 2014, V-N 2014/50.9 (aldaar gepubliceerd).
HR 28 maart 2014, V-N 2014/16.7, BNB 2014/194, r.o. 3.4.4 en 3.5. Naar aanleiding van dit arrest is het toenmalige par. 7 lid 10 BBBB, waarin deze opvatting was neergelegd, per 2015 komen te vervallen.
HR 12 oktober 2018, V-N 2018/55.19, BNB 2018/194, r.o. 2.3.3. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 23 maart 2022, V-N 2022/30.15, r.o. 4.7.
Zie voor een voorbeeld Rb Noord-Holland 30 april 2014, V-N 2014/53.11. Dat wil overigens niet zeggen dat de enkele omstandigheid dat de boeteling geen inkomen meer heeft omdat hij gedetineerd is, altijd strafverminderend werkt: daarvoor is inzicht in de volledige financiële positie nodig, zie Hof ’s-Hertogenbosch 9 januari 2020, V-N 2020/18.21. Het Hof woog overigens – terecht – wel de belastingschulden mee.
In dezelfde zin: Haas & Jansen 2015 en (voorzichtig) Krukkert 2018, p. 235.
In deze zin overwoog Hof Amsterdam 3 mei 2022, V-N 2022/32.26.20, r.o. 5.2.3. Vgl. ook De Bont in zijn noot bij HR 28 maart 2014, BNB 2014/194, die lijkt te suggereren dat de rechter dan alleen ex tunc moet toetsen.
Soms zijn bij de volle rechterlijke toetsing de omstandigheden ná het begaan van het beboetbare feit relevant, ook als deze afwijken van de omstandigheden zoals deze zich eerder voordeden.1 Het gaat daarbij vaak, maar niet uitsluitend,2 om financiële omstandigheden.3 Specifiek met betrekking tot financiële omstandigheden4 heeft de Hoge Raad aangegeven dat de rechter ex nunc moet toetsen (naar het moment van het nemen van de strafmaatbeslissing).5 Dat laat onverlet dat ook andere (persoonlijke) omstandigheden, zoals die zich voordoen ten tijde van het nemen van de strafmaatbeslissing, mee kunnen wegen.6 Wanneer de gezondheidstoestand van de boeteling zich na het opleggen van de boete ongunstig heeft ontwikkeld, kan de rechter daarin bijvoorbeeld aanleiding zien om (verder) te matigen.7 Ook het verbeterde aangiftegedrag ten aanzien van latere belastingjaren,8 een constructieve opstelling,9 het alsnog indienen van een aangifte10 of genomen maatregelen ter voorkoming van herhaling in de toekomst (zoals het inschakelen van een professionele gemachtigde),11 kunnen strafverminderend werken. Iets dergelijks doet zich voor wanneer een belastingplichtige weliswaar niet (meer) vrijwillig kon verbeteren, maar wel op constructieve wijze meewerkt aan het vaststellen van het juiste belastingbedrag.12 Zoals reeds is opgemerkt, houdt het BBBB uitdrukkelijk rekening met gedragingen van de belastingplichtige na het begaan van het beboetbare feit.13 Logischerwijs vindt de Staatssecretaris van Financiën het daarom terecht dat de rechter dat evenzeer doet.14
De Hoge Raad heeft in dit verband verder bepaald, dat (slechte) financiële omstandigheden niet buiten beschouwing mogen worden gelaten, enkel omdat zij hun oorzaak vinden in de met de boete samenhangende aanslagen. Ook de opvatting dat het ‘zakelijke’ karakter van bijvoorbeeld de loonbelasting en de omzetbelasting aan matiging in de weg zou staan, heeft de Hoge Raad verworpen.15 Datzelfde geldt voor de opvatting dat het bestaan van andere belastingschulden dan die, ter zake waarvan de boete is opgelegd, niet zou kunnen leiden tot matiging. De financiële positie van de boeteling wordt immers onder meer bepaald door al zijn (belasting)schulden. De precieze achtergrond of het precieze karakter van die schulden mag geen reden zijn om deze buiten beschouwing te laten bij de bepaling van de proportionaliteit van een boete (het zijn nu eenmaal draagkrachtbepalende elementen).16 In het verlengde hiervan is ook niet van belang dat de verslechterde financiële positie is veroorzaakt door (het aan het licht komen van) frauduleus gedrag van de boeteling zelf.17 Het voorschrift van par. 7 lid 9 BBBB, dat van een tegengestelde opvatting uit gaat, zal daarom voor de rechter geen stand houden.18
Uiteraard kunnen de (financiële) omstandigheden van de boeteling zich na de boeteoplegging of na een (eerste) rechterlijk oordeel over de hoogte van de boete ook in gunstige zin ontwikkelen. Het is denkbaar dat de rechter met die verbeterde situatie rekening houdt en dus tot een ander oordeel komt over de eerder – naar aanleiding van de destijds bestaande, slechtere omstandigheden – toegepaste matiging.19