Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.4.4.2.2
7.4.4.2.2 De (louter) formeel onjuiste aangifte
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940791:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 april 1991, BNB 1991/179.
Zie paragraaf 7.4.6.2.
Zie ten aanzien van de eis van de ondertekening bijvoorbeeld De Blieck e.a. 2009, p. 299. Zie voor andere voorbeelden Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 116. Zie voorts, voor een geval waarin een nagezonden kolommenbalans werd aangemerkt als aanvulling op de eerdere (nihil)aangifte: Hof Arnhem-Leeuwarden 28 mei 2019, V-N 2019/42.13.
Vgl. Hof Amsterdam 30 november 2017, V-N 2018/13.12 (in het kader van art. 67a AWR).
HR 27 mei 2022, V-N 2022/24.12, BNB 2022/108, r.o. 4.3.3, Hof Amsterdam 9 januari 2018, V-N 2018/18.16.
HR 28 januari 2022, V-N 2022/7.15, r.o. 4.3.2. Wat de vorm betreft is dát immers de ‘vereiste’ aangifte.
Deze categorie behelst gevallen waarin de aangifte niet op de formeel juiste manier is ingevuld en ingediend. Bij deze zuiver formele vereisten gaat het concreet om de voorwaarden die art. 8 AWR stelt:1 de aangifte moet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden ingevuld en ondertekend. Ook moeten desgevraagd bijlagen worden meegezonden. In de uitnodiging c.q. aangiftebrief staat bovendien op welke wijze de aangifte moet worden gedaan (veelal in elektronische vorm).2
Schending van één of meer van deze vormvereisten betekent in beginsel steeds dat niet de vereiste aangifte is gedaan. Vanwege de evenredigheidstoets3 zullen formele fouten van gering gewicht echter niet snel tot omkering leiden.4 Een niet in de voorgeschreven vorm gedane aangifte (door bijvoorbeeld een brief met bijlagen per post in te sturen, terwijl de aangifte elektronisch moet worden ingediend) geldt evenwel als ‘niet’ gedaan.5 Ook het onjuist beantwoorden van één enkele ja/nee-vraag uit bijvoorbeeld de aangifte IB of Vpb kan zodanig wezenlijk zijn, dat reeds daarom niet de vereiste aangifte is gedaan.6 Daar staat tegenover dat iemand die is uitgenodigd om aangifte te doen als buitenlands belastingplichtige, maar in werkelijkheid binnenlands belastingplichtige is, niet kan worden verweten dat hij niet de vereiste aangifte heeft gedaan als hij (overeenkomstig de uitnodiging) aangifte doet als buitenlands belastingplichtige.7