Het rechterlijk bevel en verbod als remedie
Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/8.5.5:8.5.5 Toezegging wederpartij
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/8.5.5
8.5.5 Toezegging wederpartij
Documentgegevens:
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692089:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 23 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1043, NJ 1990/663.
HR 1 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1899, NJ 1996/510 m.nt. D.W.F. Verkade.
Zij het dat voor de proceskosten in een dergelijk geval mogelijk een oplossing moet worden gezocht.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
497. Kan een gedaagde de eiser het belang uit handen slaan door zijn fout te erkennen en toe te zeggen niet in herhaling te zullen vervallen? Dergelijk handelen ontslaat een laedens vanzelfsprekend niet van de verplichting schade te vergoeden. Maar wat betekent het voor de vraag of hem een verbod kan worden opgelegd? Bij beantwoording van die vraag strijden twee uitgangspunten om voorrang. Het eerste is dat zonder belang geen bevel of verbod kan worden uitgesproken. Een daadwerkelijke toezegging om bepaald gedrag niet te zullen vertonen zal van betekenis zijn bij beantwoording van de vraag of er nog een belang is. Daar tegenover staat echter het gegeven dat een reeds vertoond onrechtmatig handelen eveneens van invloed kan zijn op diezelfde vraag of er een belang is bij een bevel of verbod. Wie uit het niets vordert dat aan de buurman een verbod wordt opgelegd de bomen op de erfgrens te snoeien heeft wat uit te leggen. Maar als de buurman reeds eerder een boom heeft verwoest, is er plotseling een duidelijk belang bij zo’n vordering.
498. Deze vragen waren aan de orde in onder meer een arrest van de Hoge Raad van 23 februari 1990.1 In die zaak ging het om een gestelde inbreuk op het kwekersrecht van de firma Rijk Zwaan. De gedaagde Verheijen bleef de onrechtmatigheid van haar handelen betwisten (in ieder geval ten aanzien van één product), maar voerde toch als rechtsklacht aan dat er geen recht is om in kort geding te vorderen dat een bepaalde handeling verboden wordt, indien wordt toegezegd dat die handeling niet meer verricht zal worden. De Advocaat-Generaal Strikwerda concludeerde dat een dergelijke regel niet bestaat, maar dat het van meerdere omstandigheden afhankelijk is of er (herhaald) onrechtmatig handelen dreigt. Hij wijst daarbij op de aard van de reeds gepleegde inbreuk, de reactie van de aangesprokene op eerdere sommaties en het standpunt van de aangesprokene inzake de onrechtmatigheid van zijn handelwijze. Het enkele feit dat deze vervolgens verklaart zich niet meer aan het verweten gedrag schuldig te zullen maken, is dan niet voldoende een bevel achterwege te laten. De Hoge Raad sluit zich daarbij aan en overwoog dat de enkele omstandigheid dat de aangesprokene toezegt een bepaalde handeling niet meer te zullen verrichten, de rechter er niet van behoeft te weerhouden een verbod op te leggen. Bij beantwoording van de vraag of een verbod is aangewezen zal de rechter moeten letten op de omstandigheden van het geval. Opmerkelijk is dat de Hoge Raad tot die omstandigheden niet alleen de ernst van de overtreding rekent en de wijze waarop en het verband waarin de toezegging wordt gedaan, maar ook het gedrag van de aangesprokene en zijn standpunt met betrekking tot de geoorloofdheid van het handelen.
499. Nu gedaagde Verheijen de onrechtmatigheid van haar handelen bleef betwisten, mocht het hof volgens de Hoge Raad een verbod, versterkt met een dwangsom, opleggen. Annotator Verkade werpt mijns inziens terecht de vraag op waarom een toezegging om een bepaalde handeling in de toekomst achterwege te laten, gepaard zou moeten gaan met de erkenning van de onrechtmatigheid van die handeling. Ook als partijen twisten over de onrechtmatigheid van een gepleegde handeling, kan een toezegging om dat handelen achterwege te laten immers zodanig sterk zijn dat een rechterlijk verbod niet meer aangewezen is. Ook hiervoor geldt echter dat grijstinten denkbaar zijn en dus dat alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen.
500. Dat wordt ook duidelijk wanneer wordt gekeken naar de zaak die onderwerp was van het arrest van de Hoge Raad van 1 december 1995.2 Het ging om inbreuk op het auteursrecht van Walt Disney, meer specifiek de productie en verspreiding van kledingstukken met daarop de afbeelding van de ‘101 Dalmatiërs’. De inbreukmaker was Walt Disney buiten rechte al tamelijk ver tegemoetgekomen door verspreiding te staken, opgave te doen van afnemers en een schadevergoeding te betalen. Ook bleek zij bereid een verklaring te ondertekenen dat zij op straffe van het verschuldigd worden van een boete zich zou onthouden van verdere inbreuken op de auteursrechten van Walt Disney met betrekking tot de ‘101 Dalmatiërs’. Wat zij ook aanvaardde was het door Walt Disney verlangde verbod met betrekking tot het maken van inbreuk op het auteursrecht op alle andere Disney-figuren, maar zij weigerde op dit laatste verbod een boeteclausule te accepteren. Het kwam daarom aan op de vraag of Walt Disney ook aanspraak kon maken op een verbod (met dwangsom) tot het maken van inbreuk op het auteursrecht op alle andere Walt Disney-figuren. Het hof heeft die vordering toegewezen, met name omdat het ging om buitengewoon onzorgvuldig handelen en omdat niet was geconcretiseerd welke maatregelen waren genomen om herhaling te voorkomen. De Hoge Raad heeft dat oordeel in stand gelaten en verwees voor de gronden daarvoor naar de conclusie van de Advocaat-Generaal. Die greep terug op het zojuist besproken arrest van 23 februari 1990 en wees er daarmee op dat de enkele omstandigheid dat de aangesprokene toezegt een bepaalde handeling niet meer te zullen plegen de rechter niet behoeft te beletten een verbod op te leggen.
501. Voor de effectiviteit van het rechterlijk bevel en verbod is het van belang niet te lichtvaardig aan te nemen dat sprake is van een toezegging die aan het uitspreken van een bevel of verbod in de weg staat. In het bijzonder wanneer er sprake is geweest van een eerdere schending van de rechtsplicht en herhaling mogelijk is, zal het voor de effectiviteit van de remedie vaak nodig zijn geen genoegen te nemen met een enkele toezegging van de dader. Daarbij kan in aanmerking worden genomen dat een bevel of verbod ten aanzien waarvan de veroordeelde toch al heeft aangegeven ermee niet in strijd te zullen handelen, op zichzelf ook niet zo bezwaarlijk is.3 In ieder geval is dat minder problematisch dan het geval waarin op een toezegging wordt vertrouwd, maar dit later ten onrechte blijkt te zijn. De schade komt in dat geval letterlijk en opnieuw te liggen bij het slachtoffer.