Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.2.3.2:I.3.2.3.2 Receptie van het Romeinse recht in Duitsland omstreeks de 16e eeuw
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.2.3.2
I.3.2.3.2 Receptie van het Romeinse recht in Duitsland omstreeks de 16e eeuw
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622291:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Over ‘Die Lehre von der materiellen Höchstpersönlichkeit der letztwilligen Verfügung seit der Rezeption des römischen Rechts in Deutschland’ uitgebreid Immel 1965, Kapitel 3, p. 77 e.v.
Immel 1965, p. 77 e.v.; Zimmermann 1991, p. 18-19; Halding-Hoppenheit 2003, p. 25 e.v.
Halding-Hoppenheit 2003, p. 28.
Immel 1965, p. 87 e.v.; Halding-Hoppenheit 2003, p. 27-28.
Immel 1965, p. 77 e.v.; Zimmermann 1991, p. 18-19; Halding-Hoppenheit 2003, p. 25 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Duitse rechtsliteratuur werd door het humanisme omstreeks de tweede helft van de 16e eeuw het accent op erflaters wil gelegd (in plaats van op de in beginsel ontoelaatbare captatorische Verfügung en daarmee in feite op andermans wil).1 Om rechtsgeldig te kunnen testeren diende erflater een onafhankelijke en eigen wil te uiten. Voor het eerst werd de materielle Höchstpersönlichkeit een geldigheidsvereiste van de uiterste wilsbeschikking.2
Erflater mocht de werking van zijn wilsbeschikkingen niet afhankelijk stellen van louter andermans wil (de Wollensbedingungen waren niet toegestaan), omdat er dan sprake was van een onzelfstandige wil van erflater. Willkürbedingungen, ofwel voorwaarden die met zich brachten dat de werking van erflaters uiterste wilsbeschikking afhankelijk was van een handeling waarvan het in de macht van een derde lag of deze zal plaatsvinden (vgl. ‘indien Titius het Capitool beklimt’), waren daarentegen wel toegestaan. Beslissend voor dit onderscheid tussen ontoelaatbare Wollensbedingunen en toelaatbare Willkürbedingungen was dat bij de Willkürbedingung:
‘die Bedingung mit Vornahme der Handlung unabhängig davon eintrete, ob der Dritte dies wille oder nicht. Da der Dritte die Bedingung auch in Unkenntnis ihrer Bedeutung für die Wirksamkeit der Erbeinsetzung erfüllen könne, erscheine das Verhalten des Dritten wie jede andere Bedingung als ungewisses zukünftiges Ereignis. Der Erblasserwille sei daher selbständig.’3
Net als bij de middeleeuwse juristen werd een Willkürbedingung dus aangemerkt als een onzekere toekomstige gebeurtenis en daarom werd erflaters wil als zelfstandig, onafhankelijk van andermans wil, beschouwd.4
De materielle Höchstpersönlichkeit als geldigheidsvereiste van de uiterste wilsbeschikking bracht voorts mee dat de erflater de erfgenamen en/of legatarissen zelf, ofwel hoogstpersoonlijk, moest aanwijzen. Het laten aanwijzen van de erfgenamen of legatarissen door een derde uit een door erflater afgebakende groep van personen zou, bij een consequente toepassing van het geldigheidsvereiste van de materielle Höchstpersönlichkeit, dan ook niet meer mogelijk zijn. Maar de Duitse juristen waren hierin niet consequent. Zij lieten namelijk, in navolging van de middeleeuwse zienswijze, toe dat de erfgenamen en/of legaterissen uit een afgebakende groep van personen door een derde konden worden aangewezen. Kortom: ondanks dat er werd uitgegaan van een materiëlle Höchstpersönlichkeit die een onafhankelijke en eigen wil van erflater verlangde, was Drittbestimmung toch mogelijk voorzover de erflater de groep van potentiële verkrijgers waaruit de derde zijn keuze kon maken in voldoende mate bepaalde. Het bepaaldheidsvereiste had zijn betekenis voor het delegatievraagstuk dus niet verloren.5