Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/6.2.3.2
6.2.3.2 Uitdragen van de geloofsovertuiging en levensbeschouwing
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633478:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Hof Den Haag 30 maart 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1418, r.o. 6.5, 6.6; Rechtbank Haarlem 16 mei 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BW8569, r.o. 4.8.
Rechtbank Haarlem 16 mei 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BW8569, r.o. 4.8.
Hof Den Haag 30 maart 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1418, r.o. 6.5, 6.6;
Rechtbank Den Haag 18 april 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:4165, r.o. 9 en 13.
Rechtbank Den Haag 18 april 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:4165, r.o. 13; Hof Den Haag (24 november 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3459, r.o. 4.3 en 4.4) verklaarde het beroep van de Belastingdienst niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.
Hof Arnhem 23 augustus 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BR6629, r.o. 4.5.
Hof Arnhem 23 augustus 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BR6629, r.o. 4.7.
Rechtbank Arnhem 17 juni 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BM8588, r.o. 4.
Zie onder meer Rechtbank Haarlem 16 april 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BX9155, r.o. 4.6.3 (stichting met als doel verspreiding van de ideeën van een spiritueel leraar over spirituele verlichting); Rechtbank Noord-Holland 13 augustus 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:11636, r.o. 4.5.1 (de stichting die transmissiemeditatiebijeenkomsten organiseerde); zoals verwoord in Hof Arnhem-Leeuwarden 15 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:6779, r.o. 4.4. en 4.7 (de stichting die TM bevorderde); dit standpunt is verworpen door Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2666, r.o. 2.4.3; en zoals verwoord in Hof Den Bosch 7 juni 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:CA3333, r.o. 4.9 (een niet-traditioneel kerkgenootschap dat zich wijdt aan het menselijke streven in verbondenheid met L, de aartsengel van kennis, wijsheid en inzicht).
Rechtbank Noord-Holland 13 augustus 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:11636, r.o. 4.5.3. De rechtbank achtte het feit dat de transmissiemeditatie en andere activiteiten mede tot effect konden hebben dat deelnemers daarbij individueel gebaat waren, van bijkomstige en ondergeschikte aard, zodat dit geen belemmering vormde voor het voldoen aan de kwantitatieve eis. Openstelling van een voor iedereen toegankelijk informatiecentrum, uitgifte van tijdschriften, verspreiding van de boodschap van de spirituele leraar Maitreya en een jaarlijks transmissie-meditatieweekend dienen volgens deze Rechtbank algemeen belang (r.o.4.4.1, 4.4.2. en 4.4.3).Zie ook Rechtbank Haarlem 16 april 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BX9155, r.o. 4.6.2., 4.6.3.: organiseren van bijeenkomsten over ideeën van een spiritueel leraar, het uitgeven van een nieuwsbrief, het voeren van publiciteit, het vertalen en verspreiden van literatuur daarover, dienen volgens de Rechtbank het algemeen belang.
Hof Amsterdam 18 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2360, r.o. 5.11.
Rechtbank Noord-Holland 8 november 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:10428, r.o. 4.2.3; 4.4.2.
Rechtbank Noord-Holland 8 november 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:10428, r.o. 4.2.1., 4.3., 4.4.1.
Dat het om het Katholieke Nieuwsblad ging, blijkt uit Trouw 30 augustus 2014, ‘Het Katholiek Nieuwsblad is katholiek, volgens de rechter’.
Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2668, r.o. 2.3.3.
Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2666, r.o. 2.4.3 en 2.4.4.
Hof Den Haag 28 juli 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BO0274, r.o. 6.1.3, 6.2.6.
Hof Den Haag 28 juli 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BO0274, r.o. 6.1.1, 6.2.5.
Hof Den Haag 28 juli 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BO0274, r.o. 3.2, 3.3.
Intrekking (pro forma) beroepschrift in cassatie staatssecretaris van 19 oktober 2010, nr. DGB2010-5713, inzake lopende procedure HR n.a.v. uitspraak Hof Den Haag van 28 juli 2010 ECLI:NL:GHSGR:2010:BO0274, NTFR 2011/113.
Een andere activiteit van rsli’s is het uitdragen van de geloofsovertuiging en levensbeschouwing door het organiseren van bepaalde vormen van vrijetijdsbesteding zoals kinder- en scoutingkampen, jeugdclubs, excursies, zomer(werk)kampen of vertonen van films. De rechter merkt dit soort initiatieven veelal niet aan als activiteiten die rechtstreeks het algemeen nut dienen, maar als een particulier belang (vermaak, vrijetijdsbesteding of verpozing).1 Als tijdens zulke initiatieven activiteiten worden verricht als het afleggen van ouderenbezoeken, het organiseren van werkkampen voor het helpen van andere mensen, godsdienstige vorming, inzamelen van geld voor goede doelen en besteding van middelen aan ontwikkelingshulp, worden ze wel geacht het algemeen belang te dienen.2 Ook het houden van Bijbelstudie wordt als een algemeen nut dienende activiteit beschouwd, omdat dit rechtstreeks bijdraagt aan het uitdragen van een geloofsleer.3 Dit geldt ook voor het prediken en het verkondigen van een geloofsleer, zoals het evangelie.4 Wat dit laatste betreft oordeelde Rechtbank Den Haag in tegenstelling tot de Belastingdienst dat daaronder ook het faciliteren van de prediking kan worden geschaard, zodat het tijdens verlofperiode met vervoer en huisvesting faciliteren van zendelingen die geen loon genieten, ook het algemeen belang dient. De rechtbank achtte het namelijk aannemelijk dat ook de verlofperiode van de zendelingen in het teken stond van het zendingswerk en dat de ter beschikking gestelde vervoermiddelen tijdens de verlofperiode feitelijk werden gebruikt om op diverse plaatsen voorlichting te geven over het zendingswerk, wat bijdroeg aan het noodzakelijke draagvlak.5
Ook Hof Arnhem oordeelde dat het stimuleren en uitdragen van een bepaalde geloofsleer het algemeen nut kan dienen.6 De betreffende instelling had als doel in samenwerking met een abdij met een anbi-status een bij de abdij behorend gastenverblijf in stand te houden als een oord van geestelijke bezinning en tevens om besprekingen te houden over godsdienstige en sociale problemen in beperkte kring. De wekelijkse Eucharistieviering, het pastorale werk en het stimuleren van de gasten om de abdij te bezoeken en aldaar deel te nemen aan de diensten, alsook vieringen en meditatiebijeenkomsten merkte het hof aan als activiteiten die rechtstreeks dienden om de religieuze boodschap te verspreiden en daarmee het algemeen belang dienden. Het bieden van een plek om tot rust te komen, waar gastvrijheid en aandacht voor de gast vooropstaan, vormde volgens het hof echter een activiteit die te vergelijken was met die van een hotel en diende niet het algemeen belang maar het particuliere belang.7 Ik volg de redenering van het hof in haar algemeenheid wel. In dit specifieke geval deel ik echter de conclusie van de rechtbank dat nu de instelling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontvangen van gasten rechtstreeks voortvloeit uit de leer van St. Benedictus, waarbij gastvrijheid een centrale plaats inneemt, de instelling met haar werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het gastenverblijf invulling geeft aan de doelomschrijving en daarmee het algemeen nut dient.8
De Belastingdienst neemt weleens het standpunt in dat verspreiding van spirituele ideeën door andere instellingen dan de traditionele kerkgenootschappen en gevestigde levensbeschouwelijke instellingen geen algemeen belang maar een particulier belang dient, namelijk de persoonlijke ontwikkeling van de aanhangers of deelnemers van een door de instelling gepropageerde leer.9
Rechtbank Noord-Holland maakte met dit standpunt echter korte metten door te overwegen dat ‘de persoonlijke ontwikkeling van de deelnemers bij iedere religie of levensbeschouwing in mindere of meerdere mate kan deel uitmaken van de te volgen leer en aan ieder leermiddel tot spirituele of geestelijke ontwikkeling inherent kan zijn dat de deelnemers een psychologische verandering ondergaan’.10 Dit mocht de betreffende stichting, die transmeditatiebijeenkomsten organiseerde, echter niet baten, want in hoger beroep oordeelde Hof Amsterdam dat de stichting het particuliere belang van de deelnemers diende, namelijk het voorzien in hun behoefte aan een zinvolle invulling van hun vrije tijd en hun persoonlijke ontwikkeling.11 De stichting had naar het oordeel van het hof immers niet aannemelijk gemaakt dat haar doelstelling en werkzaamheden zich (nagenoeg) uitsluitend richtten op een specifieke (kwetsbare) doelgroep, waarbij het hof opmerkt dat de mensheid in haar algemeenheid niet een dergelijke doelgroep vormt. Volgens het hof kon hoogstens worden geconcludeerd dat mogelijk sprake was van een gunstig maatschappelijk neveneffect van de activiteiten. Deze wonderlijke redenering van het hof kan ik echter niet volgen. Dan zouden religie, spiritualiteit en levensbeschouwing, maar ook cultuur en onderwijs, die zich immers eveneens op de hele mensheid richten en niet slechts op specifieke (kwetsbare) doelgroepen, geen algemeen belang dienen maar een particulier belang, namelijk vrijetijdsbesteding en persoonlijke ontwikkeling. De Belastingdienst nam dit standpunt ook in bij de Stichting L’Abri Fellowship Nederland met de doelstelling ‘de verkondiging van het Evangelie door ondersteuning en aanmoediging van zendelingen over de wereld’. Daartoe organiseerde zij themaweekenden, lezingen en filmavonden en bood verblijf aan mensen voor kortere of langere tijd. De Belastingdienst vond dat de activiteiten in wezen gericht waren op het persoonlijke nut (particulier belang) van de leden van de leefgemeenschap en de deelnemers.12 Volgens Rechtbank Noord-Holland beoogde de instelling haar bezoekers en gasten van zingeving te voorzien vanuit de Bijbel in de traditie van het orthodox-protestantse geloof en verschilde daarin niet van andere instellingen die een religieuze doelstelling hebben.13 De vaste leefgemeenschap van de instelling was volgens de rechtbank te vergelijken met een religieuze leefgemeenschap, zoals een kloosterorde, die als zodanig het geloof beleeft en belijdt en dat doet in groepsverband. De rechtbank achtte het aannemelijk dat de individuele belangen van de vaste leefgroep van de leefgemeenschap dienstbaar en ondergeschikt waren aan de activiteiten ten behoeve van de gasten. Omdat iedereen – ook andersdenkenden – welkom was bij de activiteiten van de instelling en de bezoekers en de gasten van diverse achtergronden waren, was er volgens de rechtbank sprake van gerichtheid op een brede kring en niet op een beperkte, eigen kring. Naar het oordeel van de rechtbank vormde het standpunt van de Belastingdienst dat het op individuele basis – in tegenstelling tot collectieve basis zoals bij traditionele kerkelijke instellingen – zoeken naar en invulling geven aan religie en verdieping niet algemeen nuttig zou zijn, een ongerechtvaardigde beperking van het begrip algemeen nut. Bij een traditionele kerkelijke instelling bleek de Belastingdienst dit onderscheid niet te maken. De rechtvaardiging die de Belastingdienst hiervoor aanvoerde – namelijk de riten of de instituties van een traditionele kerkelijke instelling – betreft volgens de rechtbank de vorm en niet de inhoud. Ook binnen een kerkelijke instelling is immers plaats voor studie en vorming, ook op individueel niveau. Het persoonlijke nut dat de deelnemers aan de activiteiten ontleenden, achtte de rechtbank van ondergeschikt belang. Ik leid hieruit af dat zolang de instelling zich op een brede kring richt en niet op een beperkte, eigen kring het niet uitmaakt of op individuele basis dan wel collectieve basis invulling wordt gegeven aan rsl. Een individuele aanpak hoeft dus niet per definitie in de weg te staan aan het beogen van algemeen belang.
In een andere zaak stond de anbi-status van een stichting ter discussie die een nieuwsblad uitgaf ten dienste van het verkondigenvan de blijde boodschap van Jezus Christus, zoals deze door de Katholieke Kerk wordt overgeleverd (Het Katholiek Nieuwsblad).14 De Belastingdienst vond dat omdat het uitgeven en tegen betaling beschikbaar stellen van het nieuwsblad als doelstelling vooropstond, de instelling niet het algemeen nut diende. Volgens de Hoge Raad stonden echter zowel het uitgeven van het nieuwsblad als het bevorderen van andere publiciteit ten dienste van het verkondigen van de betreffende boodschap.15 De Hoge Raad verwees de zaak voor een hernieuwd onderzoek naar de vraag of de feitelijke werkzaamheden uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestonden uit het uitgeven van een nieuwsblad en het bevorderen van andere publiciteit. Een bevestigend antwoord op deze vraag zou volgens de Hoge Raad tot het oordeel leiden dat de instelling met die werkzaamheden rechtstreeks en primair een algemeen nut beoogde. Vervolgens heeft de Belastingdienst echter afgezien van de verwijzingsprocedure.
Een ander voorbeeld betreft een stichting met als doelstelling het scheppen van mogelijkheden voor minimaal vierhonderd personen om gezamenlijk Transcendente Meditatie (TM) en TM-sidhiprogrammate beoefenen en op die manier een zodanige invloed uit te oefenen op het collectieve bewustzijn van de Nederlandse bevolking dat negatieve tendensen gaan verdwijnen en worden omgebogen in positieve ontwikkelingen. De Hoge Raad oordeelde dat de door het hof vastgestelde feiten tot de conclusie noopten dat de activiteiten van de instelling (waaronder organiseren en ondersteunen van TM-activiteiten) in ieder geval deels binnen haar statutaire doelstelling vielen. Derhalve achtte de Hoge Raad het oordeel van het hof dat geen van de activiteiten rechtstreeks op het algemeen nut waren gericht, bij een ontbrekende nadere motivering onbegrijpelijk en besloot tot vernietiging en verwijzing voor een onderzoek in volle omvang.16 Hierbij onderstreepte de Hoge Raad dat voor het beogen van het algemeen nut niet vereist is dat gunstige maatschappelijke effecten van de activiteiten van de instelling aannemelijk worden gemaakt (geen impacteis).
Ook wat betreft de Vrijmetselarij was de Belastingdienst eerst van mening dat deze het particulier belang diende. In de visie van de Belastingdienst was de Vrijmetselarij een besloten gezelligheidsvereniging waarvan de werkzaamheden primair gericht zijn op de persoonlijke ontwikkeling van het individuele lid en gezellig verkeer tussen de leden. Hof Den Haag verwierp die stelling van de inspecteur en overwoog dat de Vrijmetselarij een levensbeschouwing is, een religieus humanisme, waarbij in principe geen beperkt toelatingsbeleid geldt.17 Volgens het hof zijn alle werkzaamheden van de orde dienstig aan het levensbeschouwelijke doel: totstandkoming van de broederschap der mensheid, die in de loge wordt onderwezen en aangekweekt.18 De orde als koepelorganisatie verricht werkzaamheden voor de aangesloten loges.19 De staatssecretaris heeft zich bij het oordeel van het hof neergelegd dat de orde en de onder haar ressorterende loges levensbeschouwelijke instellingen zijn, dat de orde en de bij haar aangesloten loges zich in overeenstemming met hun doelstelling uitsluitend bezighouden met werkzaamheden van levensbeschouwelijke aard en dus hun de status van algemeen nut beogende instelling toekomt.20 In zijn toelichting bij het ingetrokken cassatieberoep vermeldde hij dat de ondersteunende en coördinerende activiteiten die de koepelorganisatie voor aangesloten anbi’s verricht, geacht kunnen worden ten behoeve van het algemeen belang plaats te vinden.
Uit de hiervoor besproken jurisprudentie blijkt dat het uitdragen en stimuleren van een geloofsovertuiging en levensbeschouwing in beginsel het algemeen nut dient. Belangrijk is echter hoe dit wordt vormgegeven. De gekozen vorm moet rechtstreeks bijdragen aan het uitdragen van de geloofsleer of levensbeschouwing, zoals het organiseren van bijeenkomsten daarover, het houden van Bijbelstudie, het prediken en verkondigen van de leer, het uitgeven van een nieuwsbrief, het vertalen en verspreiden van literatuur of het bevorderen van andere publiciteit rondom verkondigen van de betreffende boodschap. Als het uitdragen plaatsvindt via het organiseren van vrijetijdsbesteding, wordt het veelal niet als algemeen belang aangemerkt, tenzij de activiteit gericht is op religieuze of levensbeschouwelijke vorming of andere algemeen nuttige activiteiten zoals het helpen van andere mensen, inzamelen van geld voor goede doelen en besteding van middelen aan ontwikkelingshulp. Tot slot geldt volgens de Hoge Raad geen impacteis: voor het beogen van het algemeen nut is niet vereist dat de instelling gunstige maatschappelijke effecten van haar activiteiten aannemelijk maakt.