Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/6.2.1
6.2.1 Het algemeennutbegrip
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633642:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 20 januari 1917, Stb. 189, par. 45, nieuw artikel 57, onderdeel 8: rechtspersonen die hoofdzakelijk een algemeen maatschappelijk belang beogen, komen in aanmerking voor vrijstelling van schenkingsrecht.
Wet van 8 november 1984, Stb. 1984, 545.
Zie over deze historische ontwikkeling Conclusie A-G Niessen van 12 mei 2005, ECLI:NL:PHR:2006:AT8202, onderdeel 4.1.
Regelgeving is een verzamelbegrip voor onder meer de statuten, of feitelijk en rechtens daarmee overeenkomende interne regelgeving, wettelijke organisatieregels van publieke rechtspersonen en de kerkorden van kerkelijke instellingen; zie Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2012, 12737, p. 6, 7.
Kamerstukken II 2011/12, 33006, nr. 6, p. 10; Conclusie A-G Wattel van 25 maart 2011, ECLI:NL:PHR:2012:BQ0525, par. 1.3.; Hemels 2011, o.a. par. 1; Hemels 2012, par. 2.
Annotatie J.P. Boer bij HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3565, in BNB 2015/59, onderdeel 3.
Annotatie J.P. Boer bij HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3565, in BNB 2015/59, onderdeel 3.
In 1917 introduceerde de fiscale wetgever de term ‘algemeen maatschappelijk belang’ in de Wet, houdende wijziging der Successiewet.1 Vervolgens werd deze term in de Successiewet 1956 per 1 januari 19852 vervangen door de term ‘algemeen nut’, zonder dat de wetgever hiermee een inhoudelijke wijziging beoogde.3
Een definitie van algemeen nut of algemeen belang ontbreekt in de wet- en regelgeving, maar in 2012 introduceerde de fiscale wetgever als nadere invulling van het algemeennutbegrip een limitatieve opsomming van dertien categorieën, die als algemeen nut worden aangemerkt (art. 5b, lid 3 AWR). Een van de categorieën van algemeen nut is ‘religie, levensbeschouwing en spiritualiteit’. De andere categorieën van algemeen nut zijn welzijn; cultuur; onderwijs, wetenschap en onderzoek; bescherming van natuur en milieu; gezondheidszorg; jeugd- en ouderenzorg; ontwikkelingssamenwerking; dierenwelzijn; bevordering van de democratische rechtsorde; volkshuisvesting, een combinatie van de eerdergenoemde doelen en het financieel of anderszins ondersteunen van anbi’s (steunstichting). De instellingen die in deze dertien categorieën vallen, kwalificeren niet automatisch als anbi’s, maar moeten aan diverse voorwaarden voldoen. Als ze dat niet of niet meer doen, dan komen ze niet in aanmerking voor het verkrijgen van de anbi-status, respectievelijk kunnen ze de anbi-status verliezen.
Bij het opstellen van de opsomming sloot de wetgever aan bij de doelen die in de jurisprudentie zijn uitgekristalliseerd als algemeen nut.4 Deze doelen komen in grote lijn overeen met de suggesties die de wetenschap en de filantropische sector hebben aangeleverd en met de lijsten die in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk worden gehanteerd, aldus de parlementaire geschiedenis.5 Omdat de wet geen nadere definitie van het begrip algemeen nut bevat, moet de inhoud hiervan dus uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie worden afgeleid.6 De korte omschrijving per rubriek in de wetsgeschiedenis bevat evenmin een toelichting waarom de wetgever die rubriek als algemeen nuttig heeft aangemerkt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de beschrijving deels ontleend is aan de Dikke Van Dale.7
Een anbi moet volgens artikel 5b AWR uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang beogen, hetgeen volgens artikel 1a, lid 1, onderdeel b Uitv.reg. AWR 1994 moet blijken uit de regelgeving8 en de feitelijke activiteiten van de instelling. Het uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beogen omvat een dubbele toets, een tweetrapstoets.9 Allereerst moet worden beoordeeld of de instelling met haar doel en feitelijke werkzaamheden rechtstreeks het algemeen belang beoogt (kwalitatief criterium). Dit criterium betreft het ideële karakter van de instelling (‘het goede doel’).10 Daarna volgt de beoordeling of de instelling dat in voldoende mate doet, namelijk uitsluitend of nagenoeg uitsluitend, dat wil zeggen voor minstens negentig procent (het zogenaamde 90%-criterium of het kwantitatieve criterium). Dit tweede criterium betreft de uitvoering (‘het goede doen’).11 Deze twee criteria werk ik verderop in deze paragraaf uit.
6.2.1.1 Algemeen belang versus particulier belang