Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.3.1.3
10.3.1.3 Proces-verbaal van de terechtzitting
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Tenzij het onderzoek ter terechtzitting is geschorst (art. 281 lid 4 Sv) of sprake is van situatie als bedoeld in artikel 327a lid 2 Sv.
De vraag is wat moet gebeuren als de rechter(s) en de griffier een andere mening zijn toegedaan voor wat betreft de inhoud van het proces-verbaal en de daarin neergelegde verklaringen. De wet zwijgt op dit punt. In Duitsland heeft de griffier een zelfstandige verantwoordelijkheid voor de volledige en waarheidsgetrouwe verslaglegging. In Nederland daarentegen lijkt uit de bepalingen van artikel 326 lid 3 en 172 lid 1 een ondergeschiktheid aan de rechter voort te vloeien (Corstens/Borgers 2011, § 4.10).
Bij ontstentenis van de rechters dient het proces-verbaal alleen door de griffier te worden ondertekend (HR 5 juni 1979, NJ 1979, 491). Is geen van de oorspronkelijke rechters beschikbaar en de griffier evenmin, dan kan het proces-verbaal door een andere rechter worden ondertekend. Deze moet het proces-verbaal dan wel opnieuw vaststellen, zo volgt uit HR 12 september 2006, NJ 2007, 410, r.o. 38-41.
Indien de verklaring van de getuige ter terechtzitting overeenkomt met de verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris, dan kan worden volstaan met een verwijzing naar de eerdere verklaring. Ook in hoger beroep kan in dat geval worden volstaan met een verwijzing naar de verklaring in eerste aanleg (HR 16 februari 1931, NJ 1931, p. 1018 en HR 29 oktober 1957, NJ 1957, 640).
Melai-Groenhuijsen, art. 326, aant. 2.
Van Kampen 2011, p. 20 onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis.
In geval van discussie over de weergave van de inhoud beslist de rechtbank: ‘Zoals de rechtbank uiteindelijk de verklaring vaststelt zal deze als woordelijk ter zitting uitgesproken moeten worden beschouwd.’ (Melai-Groenhuijsen, art. 326, aant. 2).
Melai-Groenhuijsen, art. 326, aant. 3.
Zie § 10.2.1.3
Ten aanzien van de in acht te nemen vormen is dit precies andersom (HR 28 februari 1962, NJ 1964, 291).
Melai-Groenhuijsen, art. 326, aant. 6, zie de uitvoerige opsomming van jurisprudentie in noot 5 bij deze aantekening.
Verklaringen die zijn afgelegd op het onderzoek ter terechtzitting, worden opgetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting. Het proces-verbaal van de terechtzitting wordt opgemaakt door de griffier. Dit is in artikel 326 Sv als volgt verwoord: ‘De griffier houdt het proces-verbaal der terechtzitting (...)’. Anders dan bij de rechter-commissaris wordt het proces-verbaal niet aan de griffier gedicteerd, maar treedt de griffier zelfstandig op. In eerste instantie kan worden volstaan met een verkort proces-verbaal,1 dat in beginsel pas hoeft te worden aangevuld met de inhoud van de ter zitting afgelegde verklaringen op het moment dat een rechtsmiddel is aangewend (art. 327a Sv). De vaststelling en de ondertekening van het proces-verbaal geschiedt door de griffier tezamen met de voorzitter of een van de andere rechters die over de zaak heeft geoordeeld (art. 327 Sv). Het gaat hierbij om een gedeelde verantwoordelijkheid van de voorzitter of een van de andere rechters en de griffier; met ondertekening stellen zij zich beiden verantwoordelijk voor de inhoud van het proces-verbaal.2 Het proces-verbaal kan eventueel ook worden vastgesteld en ondertekend door een rechter die geen deel heeft uitgemaakt van de oorspronkelijke zittingscombinatie.3 Anders dan bij de politie en de rechter- commissaris hoeven de getuigen die ter zitting hebben verklaard, hun verklaringen niet te ondertekenen.
Volgens de wet behelst het proces-verbaal een weergave van de zakelijke inhoud van de ter terechtzitting afgelegde verklaringen (art. 326 lid 2 Sv). Dit betekent dat de verklaring van de getuige (of andere zegspersoon) door de griffier wordt samengevat.4 Daar de verklaring wordt afgelegd ten overstaan van de rechter die ook verondersteld wordt de beslissing te nemen, wordt een woordelijke verslaglegging in het proces-verbaal minder noodzakelijk geacht, omdat de rechter ook kan putten uit zijn eigen waarnemingen en indrukken.5 Van belang hierbij is ook dat bij ter terechtzitting afgelegde verklaringen niet het proces-verbaal als wettig bewijsmiddel geldt, maar de getuigenverklaring zelf.6 Op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte kan echter (een deel van) de verklaring woordelijk worden opgenomen, zolang dit binnen de grenzen der redelijkheid blijft. Het is de voorzitter die daarover beslist en gedane verzoeken of vorderingen kan beperken of afwijzen (art. 326 lid 2 Sv, tweede en derde volzin). Indien tot woordelijke vastlegging wordt besloten, dicteert de voorzitter de verklaring aan de griffier en wordt dat deel van de verklaring voorgelezen.7 Tevens kan de griffier door de voorzitter worden gelast om van een bepaalde omstandigheid, verklaring of opgave een aantekening te maken (art. 326 lid 3 Sv). Ook de andere rechters zijn hiertoe bevoegd. Partijen kunnen eveneens bewerkstelligen dat een aantekening wordt gemaakt (art. 326 lid 4 Sv). Zo kan er voor worden gezorgd dat een hevige emotionele uitbarsting van de getuige, een specifiek onderdeel van de verklaring of een door de verdediging gemaakte opmerking over de betrouwbaarheid van de ter zitting afgelegde verklaring uitdrukkelijk in het proces-verbaal wordt opgenomen en daarmee niet aan de aandacht van de beslissende rechter(s) ontsnapt.8 Als gezegd hoeven de redenen van wetenschap niet afzonderlijk in het proces-verbaal van de terechtzitting te worden opgetekend.9 In geval dat de verklaring zoals opgetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting niet geheel overeenkomt met de verklaring zoals weergegeven in het vonnis, is het vaste rechtspraak dat het vonnis de doorslag geeft.10 Datgene wat de rechter in zijn vonnis opschrijft, moet worden beschouwd als in werkelijkheid geschied.11