Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.3.1.1
10.3.1.1 Proces-verbaal van verhoor van de politie
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Aanwijzing opsporingsbevoegdheden 13 december 2010, Stc. 2010, 20476 (i.w.tr. op 1 januari 2011).
Zie ook de conclusie van Bleichrodt onder HR 16 januari 2007, NJ 2007, 67.
Door het EHRM worden politieambtenaren ook als getuigen aangemerkt in de zin van artikel 6 lid 3 sub d EVRM, indien hun verklaringen aan de rechter worden voorgelegd. Zie bijv. EHRM 18 maart 1997, nrs. 21363/93, 21364/93 en 22056/93, NJ 1997, 635, m.nt. Knigge (Van Mechelen e.a. t. Nederland), §. 56-57
Melai-Groenhuijsen, art. 152, aant. 7.
HR 16 januari 2007, NJ 2007, 67, r.o. 3.5.
HR 22 oktober 1985, NJ 1986, 347.
Zie conclusie Meijer bij HR 28 mei 1985, DD 85.447.
Corstens/Borgers 2011, § 10.1.
Melai-Groenhuijsen, art. 153, aant. 7.
De stijl van verslag leggen is dan ook vaak een andere dan in een proces-verbaal van verhoor. Het is gebruikelijk dat de ambtenaar dan relateert aan wat hij heeft gehoord in de derde persoon enkelvoud. ‘Hij vertelde mij…’ Zie hierover ook hoofdstuk 11.
Volgens dit artikel in het bijzonder de verklaringen die een schuldbekentenis inhouden.
Melai-Groenhuijsen, art. 29, aant. 19.
Concept wetsvoorstel rechtsbijstand en politieverhoor van 15 april 2011.
Concept memorie van toelichting, p. 44.
In § 10.2.1.1 werd duidelijk dat het getuigenverhoor door de politie wettelijk niet nader is genormeerd. Een uitdrukkelijke regeling voor de verslaglegging van getuigenverhoren ontbreekt eveneens. Niettemin worden opsporingsambtenaren wel geacht getuigenverklaringen op te tekenen in een proces-verbaal. Dit volgt uit artikel 152 Sv waarin de verbaliseringsplicht voor de politie is neergelegd. Artikel 152 Sv eist dat opsporingsambtenaren ‘ten spoedigste’ proces-verbaal opmaken ‘van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen tot opsporing is verricht of bevonden’. Anders dan bijvoorbeeld in artikel 172 Sv waar het de verslaglegging van het onderzoek door de rechtercommissaris betreft, wordt in artikel 152 Sv niet gesproken van het opmaken van proces-verbaal van wat ten overstaan van hen is verklaard. Dit komt waarschijnlijk doordat het proces-verbaal van de politie in oorsprong vooral de functie van het verslag leggen van eigen verrichtingen en bevindingen van verbalisanten had. Zo lijkt de wetgever van 1926 het ook voor ogen te hebben gehad, maar onder invloed van de de auditu-praktijk is het proces-verbaal van politieverhoor veel belangrijker geworden. Thans wordt aanvaard dat de in artikel 152 Sv neergelegde verbaliseringsplicht ook van toepassing is op afgenomen getuigenverhoren; alle in het kader van het opsporingsonderzoek verrichte opsporingsactiviteiten dienen immers schriftelijk te worden vastgelegd.1
In de praktijk wordt onderscheid gemaakt tussen een proces-verbaal van bevindingen inhoudende de eigen waarneming en bevindingen van de verbalisant en het proces-verbaal van verhoor. Opgemerkt moet worden dat een proces-verbaal van bevindingen in de kern een schriftelijke getuigenverklaring is, maar dan een die door de waarnemer zelf op schrift is gesteld.2 Politieambtenaren in het Nederlandse strafproces plegen in het Nederlandse stelsel niet als getuige te worden aangemerkt tenzij zij als zodanig worden opgeroepen om te verschijnen ten overstaan van de rechter of rechter-commissaris. De waarnemingen neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen kunnen niettemin voor het bewijs worden gebruikt.3 Voor deze ‘getuigenverklaringen’ van verbalisanten neergelegd in een proces-verbaal kent de wet een bijzondere bewijsregeling. Het betreft een uitzondering op de unus testis, nullus testis-regel. Het proces-verbaal mag krachtens het bepaalde in artikel 344 lid 2 Sv als enig bewijsmiddel voor het bewijs worden gebezigd. Het moet dan wel gaan om de eigen waarneming of ondervinding van de verbalisant. De bijzondere bewijskracht komt dus alleen toe aan processen-verbaal van bevindingen en niet aan processen-verbaal van verhoor. Tevens is vereist dat het proces-verbaal in ‘wettelijke vorm’ is opgemaakt. De wet stelt verder de eis dat het procesverbaal persoonlijk en op ambtseed wordt opgemaakt, gedateerd en ondertekend (art 153 lid 2). De persoon die het proces-verbaal opmaakt, dient daartoe ook bevoegd te zijn. Slechts indien is voldaan aan deze vormvoorschriften, kan het proces-verbaal met behulp van artikel 344 lid 2 Sv voor het bewijs worden gebezigd en heeft het in bepaalde gevallen bijzondere bewijskracht. Ook schriftelijke stukken die niet uitdrukkelijk de naam van proces-verbaal kunnen dragen, kunnen als proces-verbaal in wettelijke vorm opgemaakt worden aangemerkt mits is voldaan aan de daaraan verbonden vormvoorschriften.4 Indien aan de vorm gebreken kleven, dan kan het stuk alleen als ander geschrift in de zin van artikel 344 lid 1 sub 5 Sv aan het bewijs bijdragen en dan alleen in combinatie met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Het schriftelijk bescheid komt in dat geval minder gewicht toe. Dit is bijvoorbeeld het geval op het moment dat het proces-verbaal niet door de opsporingsambtenaar is ondertekend.5 Indien de dagtekening overigens (per vergissing) achterwege is gebleven, dan worden hier door de Hoge Raad geen gevolgen aan verbonden.6 De dagtekening is vooral van belang om te beoordelen of het proces-verbaal ten spoedigste is opgemaakt en voor de vaststelling van de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar.7
Aan de inhoud van het proces-verbaal worden geen verdere eisen gesteld, behalve dat het ‘zo veel mogelijk’ uitdrukkelijk de redenen voor wetenschap moet opgeven (art. 153 lid 2 Sv). De verbalisant moet weergeven waaraan of aan wie hij zijn wetenschap ontleent, bijvoorbeeld aan zijn eigen waarneming of aan de verklaringen van een getuige.8 Door het opgeven van de redenen van wetenschap, de bronnen van kennis waarop de zegspersoon zich baseert (bijvoorbeeld zien, horen, voelen, ruiken), wordt het mogelijk gemaakt om waarnemingen en ondervindingen te onderscheiden van conclusies.9 Overigens kan uit de titel van het proces-verbaal worden afgeleid of het gaat om een eigen waarneming (proces-verbaal van bevindingen) of dat verslag wordt gedaan van de waarneming of ondervinding van een ander (proces-verbaal van verhoor). Dit is echter niet altijd het geval. Indien een opsporingsambtenaar bijvoorbeeld in het kader van een buurtonderzoek een getuige hoort, die vervolgens weigert op het bureau een verklaring af te leggen, dan zal de verbalisant het gesprokene in de regel neerleggen in het proces-verbaal van bevindingen.10
Wat betreft de vorm waarin de verklaring in het proces-verbaal dient te worden opgetekend, kent de wet geen voorschrift. Die is er wel voor de verklaringen van verdachten. In artikel 29 lid 3 Sv is vastgelegd dat deze zo veel mogelijk in eigen woorden moet worden opgenomen. Hoewel deze bepaling is geschreven voor de vastlegging van verklaringen afgelegd door verdachten,11 wordt de aan dit artikel toegedichte stijl van verbaliseren in de vorm van een monoloog ook bij getuigenverklaringen gebruikt. De strekking van het in artikel 29 lid 3 Sv neergelegde voorschrift is het waarborgen van een accurate weergave van het gesprokene. Met de weergave in eigen woorden ‘bestaat er de meeste garantie dat het door de spreker bedoelde, zuiver wordt weergegeven’, zo is de gedachte.12 In de praktijk behelst het proces-verbaal zelden een woordelijke weergave van het gesprokene, zoals ook in het twaalfde hoofdstuk nog duidelijk zal worden. Dit wordt ook onderkend door de wetgever die blijkens het ‘Concept wetsvoorstel rechtsbijstand en politieverhoor’ voornemens is om een bepaling aan het Wetboek van Strafvordering toe te voegen die geheel is gericht op de weergave van het verhoor.13 In het concept van artikel 29a lid 2 Sv valt te lezen dat de verklaringen van de verdachte, in het bijzonder welke een bekentenis van schuld inhouden, in het procesverbaal zo veel mogelijk in diens eigen woorden dienen te worden opgenomen. Het nieuwe schuilt in de tweede volzin waarin wordt uiteengezet wat dit inhoudt. Daar staat dat het proces-verbaal een volledige weergave bevat van de verklaring van de verdachte, zo veel mogelijk in vraag- en antwoordvorm. Dit betekent een definitieve breuk met het verleden waarin de monoloog de standaard was. In de concept memorie van toelichting wordt hieromtrent het volgende opgemerkt.
‘Met deze bepaling wordt afstand genomen van een praktijk waarin van een verdachte een verklaring wordt opgenomen in bewoordingen waarvan niet aannemelijk is dat hij deze zelf heeft gebezigd, omdat zijn feitelijk taalgebruik daarmee in het geheel niet overeenkomt, terwijl twijfel kan bestaan of hij de draagwijdte van de opgenomen bewoordingen kan overzien.’14
Naast een voorschrift over de vorm waarin de verklaring van de verdachte dient te worden opgetekend, voorziet het derde lid tevens uitdrukkelijk in de mogelijkheid voor de verdachte om opmerkingen te maken over de weergave van zijn verklaring in het proces-verbaal. Voorts wordt in het vierde lid gesteld dat de verdachte ook de gelegenheid moet krijgen zijn lezing van het feit waarover hij wordt gehoord op schrift te stellen en aan het dossier te laten toevoegen. Kortom, de verslaglegging van verdachtenverhoren wordt met meer wettelijke waarborgen omkleed.