Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.4.5
7.4.5 Enquête
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS299023:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dat dit vaak onomkeerbare gevolgen heeft lijkt in beginsel geen obstakel te vormen voor de voorzieningenrechter: HR 21 juni 2002, NJ 2002, 420.
De mogelijkheid tot het instellen van een onmiddellijke voorziening bij de Ondernemingskamer bestaat (pas) sinds 1994. Wilde men voor 1994 een tijdelijke voorziening, dan moest men zicht tot de voorzieningenrechter wenden. Oudere uitspraken betreffende voorlopige voorzieningen waarbij de rechten van aandeelhouders worden beperkt zijn derhalve afkomstig van de voorzieningenrechter.
HR 26 juni 2009, JOR 2009, 192 (KPNQwest I) m.nt. Van Mierlo onder JOR 2009, 193.
Zie in dit verband: Veenstra 2013 (Groene Serie Rechtspersonen) 2013, Inleiding bij titel 8, aant. 1.3.3.; Bartman & Holtzer 2010, p. 86. Zie ook: Cools (e.a.) 2009, p. 25 en het aldaar opgenomen schema.
Het kort geding is één van de geijkte wegen om onthouding en herziening te vorderen, zeker wanneer sprake is van een voorgenomen handeling van de aandeelhouder.1 Een andere belangrijke weg is het verzoeken van een enquête bij de Ondernemingskamer en in het bijzonder de mogelijkheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen.2
Het belangrijkste doel van de enquêteprocedure is het verkrijgen van openheid van zaken en de sanering en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van betrokken personen.3 De enquêteprocedure mag, mede dankzij de vooruitstrevende houding van de Ondernemingskamer, op grote populariteit rekenen bij interne ondernemingsgeschillen.4