Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.4.1
7.4.1 Een verbod in kort geding
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS303763:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Van Schaick 2011, nr. 218.
Lok & Kemp 2015, p. 200; Tjong Tjin Tai 2013 (Groene Serie Rechtsvordering), Inleiding Kort Geding, Aant. 3; Olden 2003, p. 550.
Asser/Van Schaick 2011, nr. 226.
Tjong Tjin Tai 2013 (Groene Serie Rechtsvordering), Art. 254, Aant. 17.1.
Croiset van Uchelen 2010, p. 261.
Zie hierover uitgebreider: Lok & Kemp 2015, p. 201.
Zie daarnaast bijvoorbeeld ook: Rb. ’s-Gravenhage 7 augustus 2002, JOR 2002, 173 m.nt. Van den Ingh. Deze uitspraak komt in hoofdstuk 9, paragraaf 9.3. nader aan de orde.
Rb. Rotterdam 22 december 1982, KG 1983, 24.
Rb. Utrecht 11 mei 1994, KG 1994, 231.
Rb. Roermond 27 januari 2000, JOR 2000, 73 m.nt. Groffen.
Zie in dit verband: hoofdstuk 4, paragraaf 4.4.3.
Rb. Assen 17 december 1993, KG 1994, 90.
R.o. 5.3.
Rb. Noord-Holland 16 januari 2014, JOR 2014, 157 m.nt. Nowak. In hoger beroep werd het verzoek van de minderheidsaandeelhouder/bestuurder overigens alsnog afgewezen (Hof Amsterdam 13 januari 2015, JOR 2015, 69 m.nt. Nowak).
Welke bepaling overigens in strijd is met dwingend recht (artikel 2:244 lid 2 BW).
Ook dit dictum lijkt mij onjuist geformuleerd. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 7.4.8. van dit hoofdstuk.
Rb. Utrecht 11 mei 1994, KG 1994, 231; Rb. Roermond 27 januari 2000, JOR 2000, 73 m.nt. Groffen; Rb. Noord-Holland 16 januari 2014, JOR 2014, 157 m.nt. Nowak. In de uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt niet expliciet verwezen naar een materieelrechtelijke grondslag, maar ook daar zou de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW (destijds de goede trouw van artikel 2:7 BW) aan ten grondslag kunnen hebben gelegen. Door de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen wordt wel de redelijkheid genoemd: ‘Nu eiseressen wèl continuïteit van de onderneming beogen en hebben aangeboden om het aandelenpakket van gedaagde over te nemen (volgens een in hun brief van 26 nov. 1993 weergegeven procedure, die de belangen van gedaagde en de vennootschap genoegzaam veilig stelt), handelt gedaagde in strijd met de redelijkheid door dit voorstel op voorhand af te wijzen.’ (Rb. Assen 17 december 1993, KG 1994, 90).
Evenzo: Timmerman 1995, p. 27. In Rb. Utrecht 11 mei 1994, KG 1994, 231; Rb. Assen 17 december 1993, KG 1994, 90 en in Rb. Roermond 27 januari 2000, JOR 2000, 73 m.nt. Groffen was hier ook sprake van.
Hierboven is aan de orde gekomen dat het vorderen van een verbod middels twee wegen kan worden bewerkstelligd, namelijk een kort geding of een enquêteprocedure. Hieronder zal de aandacht worden gericht op het kort geding. De enquêteprocedure komt in paragraaf 7.4.5. en verder nader aan de orde.
Het kort geding vindt, evenals de naamloze vennootschap, haar oorsprong in het Franse recht. De procedure voorziet in de mogelijkheid om in een zelfstandige procedure een voorlopige maatregel, een voorlopige voorziening, te vorderen.1 Daarbij is de procedure, en dus de voorlopige voorziening, gericht op voorlopige ordening.2 Deze voorlopige voorziening wordt gegeven in afwachting van een bodemprocedure, waarbij de waarschijnlijke uitkomst in de bodemprocedure geldt als uitgangspunt voor de rechter.3
Wanneer een belanghebbende een aandeelhouder ervan wil weerhouden een bepaalde gedraging te verrichten, dan kan het verzoeken van een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter een mogelijkheid zijn. De rechter komt grote vrijheid toe bij het treffen van de voorlopige voorziening.4 De voorziening mag zelfs afwijken van dwingendrechtelijke bepalingen.5 Er moet wel sprake zijn van een rechtsgrondslag in het materiële recht voor de te treffen voorlopige voorziening.6 Daarvoor zal – buiten andere materieelrechtelijke bepalingen – artikel 2:8 of 3:13 BW veelal als grondslag kunnen dienen.
In de jurisprudentie zijn diverse voorbeelden te vinden van uitspraken in kort geding waar een belanghebbende bij de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening vordert tegenover een individuele aandeelhouder. Hieronder ga ik nader in op vijf voorbeelden uit de jurisprudentie.7
De eerste uitspraak is van de rechtbank Rotterdam.8 Hier werd door de vennootschap zelf een vordering ingesteld met als doel één van de aandeelhouders te verbieden in persoon aanwezig te zijn bij de algemene vergadering van aandeelhouders. De specifieke aandeelhouder mocht uitsluitend bij gemachtigde aanwezig zijn. De rechter overwoog dat voorshands aannemelijk was dat de aandeelhouder andermaal tot verstoring van de orde over zou gaan. Vervolgens woog de rechtbank het belang van de vennootschap af tegen het persoonlijke belang van de aandeelhouder en kwam tot de conclusie dat aan het belang van de vennootschap doorslaggevende betekenis moest worden toegekend. Om het belang van de aandeelhouder redelijkerwijs tegemoet te komen, mocht de aandeelhouder wel bij gevolmachtigde aanwezig zijn. Zo werd in dit geval de aandeelhouder het recht afgenomen om zelf aanwezig te zijn bij de algemene vergadering van aandeelhouders.
De tweede uitspraak is van de rechtbank Utrecht.9 Het betrof hier een geschil binnen de vennootschap RTS B.V. Deze vennootschap had twee aandeelhouders, Maresfield (40%) en RTS Limited (60%). De uiteindelijk economisch gerechtigde van Maresfield was James, welke tezamen met Ames ook bestuurder van RTS B.V. was. Op een gegeven moment ontstond een geschil tussen Maresfield en James enerzijds en RTS Limited en Ames anderzijds. Als gevolg daarvan riep Ames een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen, met als één van de agendapunten het ontslag van James als bestuurder. James en Maresfield spanden een kort geding aan en vorderden onder meer RTS B.V. en RTS Limited B.V. te verbieden op de uitgeschreven algemene vergadering van aandeelhouders te stemmen over het ontslag van James als bestuurder van RTS B.V. De rechter oordeelde, in mijn ogen geheel juist, dat RTS B.V. geen stemrecht uitoefende en de vordering op dat punt moest worden afgewezen. Ten aanzien van RTS Limited oordeelde de rechtbank dat het haar werd verboden om binnen een periode van twee maanden James als bestuurder te ontslaan.
De derde uitspraak, gewezen door de rechtbank Roermond, betrof een familievennootschap met drie aandeelhouders, waarvan twee echtgenoten.10 De echtgenoten hielden tezamen ongeveer 91,7% van de aandelen. Eén van de echtgenoten was tevens bestuurder van de vennootschap. De derde aandeelhouder hield de overige 8.3% van de aandelen. Op een gegeven moment werd besloten 100 nieuwe aandelen uit te geven aan één van de echtgenoten voor een bedrag van 28.260 per aandeel. Zes dagen later kreeg de minderheidsaandeelhouder een uitnodiging voor een aandeelhoudersvergadering, waarbij één van de agendapunten de inkoop van 100 aandelen van diezelfde echtgenoot voor een bedrag van 56.520 was, een verdubbeling van de prijs. De minderheidsaandeelhouder vorderde vervolgens in kort geding (onder meer) dat het de echtgenoten werd verboden om in de algemene vergadering van aandeelhouders een besluit te nemen of besluiten te nemen tot het inkopen van eigen aandelen, aan welke vordering hij artikel 2:8 BW ten grondslag legde. De president wees de vordering van eiser toe, waarbij in het dictum kan worden gelezen:
‘Verbiedt Pieter Theelen en Ria Theelen-Verstegen [de echtgenoten, toevoeging BK] om na betekening van dit vonnis in de aandeelhoudersvergadering van Frans Theelen Holding B.V. een besluit of besluiten te nemen tot inkoop van eigen aandelen.’
Het dictum is opvallend geformuleerd. Het lijkt te veronderstellen dat het de echtgenoten als meerderheidsaandeelhouders zijn die een besluit nemen in de algemene vergadering van aandeelhouders. Dit lijkt mij juridisch onjuist, nu niet de individuele aandeelhouders, maar de algemene vergadering als orgaan van de vennootschap het besluit neemt. De individuele aandeelhouders stemmen, als gevolg waarvan een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders tot stand komt. Hier haalt de rechtbank de twee functies van de algemene vergadering van aandeelhouders11 door elkaar. Het was juister geweest wanneer de rechtbank had besloten dat de echtgenoten als aandeelhouders het stemrecht op de aandelen niet mochten uitoefenen (of niet mochten deelnemen aan de besluitvorming) met betrekking tot een besluit tot inkoop van eigen aandelen of, nog beter, dat de algemene vergadering van aandeelhouders geen besluit mocht nemen tot inkoop van eigen aandelen.
Ten vierde een uitspraak van de rechtbank Assen.12 De meerderheidsaandeelhouder wenste de vennootschap te ontbinden, omdat deze aandeelhouder daar fiscaal voordeel mee kon behalen. De twee minderheidsaandeelhouders meenden echter belang te hebben bij de voortzetting van de vennootschap. Door het bestuur van de vennootschap werd een oproep gezonden voor een algemene vergadering van aandeelhouders, waar onder meer de liquidatie en ontbinding van de vennootschap op de agenda stonden. Daarna boden de meerderheids- en minderheidsaandeelhouders aan elkaar aan de aandelen te kopen, echter zonder succes. Vervolgens startten de twee minderheidsaandeelhouders een kort geding, waarin zij vorderden dat het de meerderheidsaandeelhouder wordt verboden om het stemrecht uit te oefenen om te stemmen voor liquidatie van de vennootschap. De voorzieningenrechter besliste:
‘Het dictum/petitum wordt door mij dus zo verstaan, dat het gedaagde verboden is in de aangevangen procedure om tot ontbinding te komen, daarvóór te stemmen. Niet uitgesloten is dat alsnog voor ontbinding wordt gestemd als het voorstel van eiseressen niet tot een redelijke oplossing leidt.’13
Het werd gedaagde, de meerderheidsaandeelhouder, derhalve verboden voor de ontbinding van de vennootschap te stemmen, want het daaruit voortkomende besluit van de algemene vergadering zou onredelijk zijn.
De vijfde uitspraak is er één van de rechtbank Amsterdam.14 Hier was sprake van een viertal aandeelhouders die ieder een kwart van de aandelen hield in de besloten vennootschap. Drie aandeelhouders waren tevens bestuurder. Eén van de bestuurders werd ziek en was enige tijd arbeidsongeschikt. Zij kwam vervolgens weer enkele dagen per week werken. Vlak nadat zij weer fulltime haar werkzaamheden verrichtte, werd haar door de andere twee bestuurders medegedeeld dat de drie andere aandeelhouders voornemens waren haar als bestuurder te ontslaan. Als gevolg van het ontslag zou zij gehouden zijn geweest haar aandelen aan te bieden op grond van de aandeelhoudersovereenkomst. In de statuten was opgenomen dat een twee derde meerderheid vereist was voor het ontslaan van bestuurders, terwijl in de aandeelhoudersovereenkomst unanimiteit van stemmen werd voorgeschreven.15 De overige aandeelhouders/bestuurders en de vennootschap meenden dat de statutaire bepaling diende te prevaleren en de bestuurder kon worden ontslagen.
De bestuurder/aandeelhouder startte een kort geding om dit te voorkomen. In dit kort geding vorderde zij – kort gezegd – om de overige aandeelhouders/bestuurders te verbieden binnen de algemene vergadering van aandeelhouders het besluit te nemen om de bestuurder te ontslaan. De voorzieningenrechter overwoog dat artikel 2:224 lid 2 BW onverlet laat dat in een aandeelhoudersovereenkomst (afdwingbaar) kan worden afgesproken dat unanimiteit vereist is voor het ontslaan van een bestuurder en volgde daarmee het betoog van de bestuurder. De rechtbank verbood de drie aandeelhouders om een besluit te nemen tot het ontslag van de bestuurder.16
Uit deze uitspraken volgt dat het voor een belanghebbende mogelijk is een voorlopige voorziening te verzoeken om voorgenomen onwenselijke gedrag van een aandeelhouder te verbieden. In drie van de vijf uitspraken wordt de redelijkheid en billijkheid expliciet als materieelrechtelijke bepaling ten grondslag gelegd aan de vordering.17 Om de veroordeling tot onthouding kracht bij te zetten, kan een dwangsom worden geplaatst op het schenden van het verbod.18