Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/0.4.3.1
4.3.1 Selectie van jurisprudentie
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Vroeger werd vaak in een zelfstandige decision beslist dat een klacht ontvankelijk was. In een latere beslissing werd de gegrondheid van de klacht dan beoordeeld. Hoewel dat nog steeds mogelijk is (art. 29 lid 1, laatste volzin EVRM), gebeurt dit in de gepubliceerde jurisprudentie tegenwoordig niet of nauwelijks meer. De ontvankelijkheid van de klacht en de gegrondheid ervan worden nu standaard in één uitspraak beoordeeld. Beslissingen waarin alleen is vastgesteld dat een klacht ontvankelijk was, zijn weinig interessant als rechtsbron, omdat daarin niet wordt vooruitgelopen op de inhoudelijke beoordeling van de klacht. Alleen voor de beoordeling of aan de formele ontvankelijkheidsvoorwaarden is voldaan, kunnen deze beslissingen relevant zijn.
Klachten worden soms zelfs afgedaan als manifestly ill-founded wanneer helemaal niet zo evident is dat het ondervragingsrecht niet is geschonden. Zie bijvoorbeeld EHRM 2 april 2013, appl.no. 25307/10 (dec.) (D.T./Nederland). Mij is verteld dat het EHRM daarmee het signaal wil afgeven dat het in toekomstige soortgelijke zaken zinloos is om een klacht in te dienen bij het EHRM. Bij de vaststelling dat het ondervragingsrecht niet is geschonden, is dat signaal kennelijk minder sterk.
Gerards 2014a, p. 8. Een indicatie dat het EHRM een decision als belangrijk heeft beschouwd, lijkt te zijn dat de decision van genummerde paragrafen is voorzien. Zie bijvoorbeeld EHRM 2 april 2013, appl.no. 25307/10 (dec.) (D.T./Nederland). Doorgaans gebeurt dat alleen bij judgments.
In EHRM 10 april 2012, appl.nos. 46099/06 & 46699/06 (dec.) (Ellis, Simms & Martin/ Verenigd Koninkrijk) heeft het EHRM geoordeeld dat een veroordeling uitsluitend of in beslissende mate mag worden gebaseerd op anonieme getuigenverklaringen, wanneer ten minste voldoende compensatie is geboden. Voorheen was dat expliciet uitgesloten. Zie daarover De Wilde 2012b. Zie uitvoeriger over kennelijke ongegrondheid als reden voor niet-ontvankelijkheid Zwart 1994, p. 149-154.
Hoewel ik niet heb kunnen vaststellen dat het EHRM in geval van decisions een ander beoordelingskader hanteert, heb ik bij de bronvermeldingen van EHRM-decisions steeds aangegeven dat het een decision betreft.
Zo beoordeelt het EHRM ook ten aanzien van anonieme getuigen of een getuigenverklaring van beslissende betekenis is en is in het kader van ontlastende getuigen de vraag relevant of een goede reden bestaat voor de onmogelijkheid voor de verdediging om de getuige te ondervragen.
Bron: de toelichting bij de categorieën in het zoekscherm van HUDOC: http://cmiskp.echr.coe.int/tkp197/search.asp?skin=hudoc-en.
EHRM 18 juli 2013, appl.no. 59632/09 (Vronchenko/Estland); EHRM 19 december 2013, appl.no. 26540/08 (Rosin/Estland).
Een voorbeeld is EHRM 11 april 2013, appl.no. 20372/11 (Vyerentsov/Oekraïne). Dat arrest is wat betreft de overwegingen met betrekking tot het ondervragingsrecht weinig verrassend, maar behoort, vermoedelijk vanwege andere vastgestelde schendingen, desondanks tot categorie 1.
Zie EHRM 17 september 2013, appl.no. 23789/09 (Brzuszczyn´ ski/Polen), § 83, EHRM 9 juli 2013, appl.no. 12036/05 (Sica˘/Roemenië), § 66 en EHRM 22 november 2012, appl.no. 46203/08 (Tseber/Tsjechië), § 56.
Bodnar 2014, p. 237-238. Ook Comités en alleensprekende rechters kunnen beslissingen nemen, maar deze zijn dikwijls niet gemotiveerd en gepubliceerd.
Zie bijvoorbeeld EHRM 10 januari 2012, appl.no. 315/09 (dec.) (A.G./Zweden), p. 12, waarin het EHRM refereerde aan de opvatting van de ECRM in ECRM 20 oktober 1994, appl.no. 16696/90 (Baegen/Nederland), § 77.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk).
Het EHRM heeft altijd de schijn willen ophouden dat het niet is omgegaan in Al-Khawaja & Tahery. Zie daarover § 2.2.2 van hoofdstuk 7.
Alleen ten aanzien van compenserende factoren kunnen uitspraken van vóór Al-Khawaja & Tahery niet als gezaghebbend worden aangemerkt, aangezien compensatie vóór Al- Khawaja & Tahery een schending van het ondervragingsrecht niet kon voorkomen. Zie § 2.2.2 van hoofdstuk 7.
Zie ten aanzien van dit laatste punt bijvoorbeeld HR 29 januari 2013, NJ 2013, 145 en HR 6 juli 2010, NJ 2010, 509.
Straatsburgse jurisprudentie
De uitspraken van het ehrm kunnen worden onderverdeeld in judgments en decisions, vrij vertaald arresten en beslissingen. Wanneer een klacht nietontvankelijk wordt verklaard, wordt een decision gewezen.1 Is een klacht gegrond verklaard, dan zal een judgment worden gewezen, waarin wordt vastgesteld dat het ondervragingsrecht is geschonden. Wordt een klacht niet gegrond geacht, dan kan het ehrm kiezen tussen een decision waarin de klacht niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens kennelijke ongegrondheid of een judgment waarin wordt vastgesteld dat het ondervragingsrecht niet is geschonden. Het ehrm lijkt in zo’n geval in toenemende mate te kiezen voor een decision.2
Het spreekt voor zich dat judgments belangrijke uitspraken zijn. Op het eerste gezicht lijken beslissingen tot niet-ontvankelijkheid niet relevant te zijn voor een onderzoek naar de betekenis van een evrm-recht. Decisions waarbij een klacht kennelijk ongegrond wordt verklaard, zijn echter dikwijls uitvoerig gemotiveerde beslissingen over belangrijke aspecten van het ondervragingsrecht.3 Het is zelfs voorgekomen dat het ehrm fundamenteel van koers is gewijzigd in een decision.4 In dit onderzoek zijn dan ook veel decisions bestudeerd.5
Hoewel de onderzoeksvraag beperkt is tot het recht niet-anonieme belastende getuigen te ondervragen, zal ik zo nu en dan ook jurisprudentie met betrekking tot anonieme getuigen en ontlastende getuigen gebruiken. Dat zal ik in het bijzonder doen wanneer de jurisprudentie met betrekking tot niet-anonieme belastende getuigen geen uitsluitsel geeft over een bepaalde kwestie. Omdat de beoordeling van zaken met anonieme getuigen of ontlastende getuigen in bepaalde opzichten gelijk is aan de beoordeling van zaken met niet-anonieme belastende getuigen, kan daarin soms een indicatie worden gevonden hoe het ehrm zou beslissen wanneer de desbetreffende kwestie zich zou voordoen in een zaak met een niet-anonieme belastende getuige.6
Het ehrm kent een bepaalde status toe aan zijn eigen uitspraken. Iedere uitspraak wordt ondergebracht in één van de volgende categorieën:
Case Reports. Hoewel dit de belangrijkste categorie is, heeft het ehrm hier geen omschrijving van gegeven. Aangenomen kan worden dat het de belangrijkste uitspraken van categorie 1 betreft, die door opname bij de Case Reports van categorie veranderen.
Categorie 1: ‘All judgments, decisions and advisory opinions not included in the Case Reports which make a significant contribution to the development, clarification or modification of its case-law, either generally or in relation to a particular State’
Categorie 2: ‘Other judgments, decisions and advisory opinions which, while not making a significant contribution to the case-law, nevertheless go beyond merely applying existing case-law’
Categorie 3: ‘Judgments, decisions and advisory opinions of little legal interest, namely judgments and decisions that simply apply existing case-law, friendly settlements and strike outs (unless raising a particular point of interest)’7
Ik heb overwogen om op basis van deze categorisering ehrm-uitspraken te selecteren die ik in mijn onderzoek zou betrekken. Ik heb daarvoor echter om een aantal redenen niet gekozen. De eerste en belangrijkste reden is dat weinig consistentie te ontdekken is bij de vaststelling tot welke categorie een uitspraak behoort. Uitspraken die in mijn ogen een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de ontwikkeling van het ondervragingsrecht, worden niet altijd in categorie 1 ingedeeld. Het beste voorbeeld hiervan is de decision in de zaak Ellis, Simms & Martin, waarin het ehrm een duidelijk andere koers is gaan varen ten aanzien van anonieme getuigen. Deze decision is ondergebracht in categorie 3. Soms worden arresten die erg vergelijkbaar zijn, ook in verschillende categorieën ingedeeld. Zo lijkt het arrest Vronchenko sterk op het arrest Rosin en hebben dezelfde rechters vergelijkbare dissenting opinions geschreven bij beide arresten. Het arrest Vronchenko is echter in categorie 3 ingedeeld en het (latere) arrest Rosin bij categorie 2.8 Een tweede reden is dat een uitspraak dikwijls betrekking heeft op verschillende evrm-rechten, maar de uitspraak als geheel in één categorie wordt ingedeeld. Het is mogelijk dat overwegingen met betrekking tot het ene recht behoren tot de ene categorie en overwegingen met betrekking tot het andere recht tot een andere categorie.9 Een derde reden is dat ook uitspraken van categorie 3 van groot belang kunnen zijn voor mijn onderzoek, omdat dit onder andere betrekking heeft op de vraag in welke gevallen een bepaalde beoordelingsfactor positief of negatief wordt beoordeeld. Daarbij zijn de feiten en omstandigheden van een zaak van doorslaggevende betekenis. Het ehrm zelf verwijst in zijn motiveringen overigens dikwijls naar uitspraken van categorie 3, bijvoorbeeld als bron voor een door het ehrm gehanteerde regel of gebruikt uitgangspunt of om aan te geven dat bepaalde feiten en omstandigheden zich ook of juist niet in een andere zaak hebben voorgedaan. Zo heeft het ehrm herhaaldelijk gerefereerd aan het arrest Hümmer, dat tot categorie 3 behoort.10
Verschillende Straatsburgse organen hebben in verschillende perioden uitspraken gedaan. Het is de vraag welk gezag daaraan kan worden toegekend. In het algemeen hebben arresten van de Grand Chamber meer gezag dan uitspraken van de Kamers.11 Tot en met 1998 bestond naast het ehrm de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (ecrm). Het was mogelijk een onwelgevallige uitspraak van de ecrm voor te leggen aan het ehrm. Het ehrm heeft vroeger dikwijls aan uitspraken van de ecrm gerefereerd. Daaraan kende het derhalve betekenis toe als rechtsbron. Ook in uitspraken van vrij recente datum is nog gerefereerd aan ecrm-rapporten.12 In beginsel heb ik ecrm-uitspraken alleen als bron gebruikt wanneer ten aanzien van een bepaalde situatie geen ehrm-uitspraak beschikbaar was.
Op 15 december 2011 heeft de Grand Chamber van het ehrm het arrest Al-Khawaja & Tahery gewezen. De Grand Chamber overwoog in dit arrest dat het ontbreken van een goede reden voor de onmogelijkheid een getuige te ondervragen zelfstandig een grond oplevert voor de vaststelling van een schending van het ondervragingsrecht. Daarnaast bepaalde de Grand Chamber dat niet in alle gevallen een schending van het ondervragingsrecht hoeft te worden vastgesteld wanneer een beslissende getuige niet door de verdediging kon worden ondervraagd. Compenserende factoren kunnen ervoor zorgen dat de verdedigingsrechten voldoende zijn gerespecteerd.13 Deze twee aspecten bleken niet duidelijk uit de jurisprudentie van vóór het arrest. Ik zal in de hoofdstukken 5 en 7 betogen dat het ehrm met dit arrest gedeeltelijk een nieuwe weg is ingeslagen. Dat neemt niet weg dat ik uitspraken van vóór Al-Khawaja & Tahery doorgaans als gezaghebbend beschouw, wat het ehrm zelf overigens ook doet.14 Het belang van het arrest Al-Khawaja & Tahery is niet zozeer gelegen in de beoordeling van de afzonderlijke beoordelingsfactoren, maar in de introductie van een beslismodel. De beslissingen over de vraag of een bepaalde beoordelingsfactor positief of negatief moet worden beoordeeld, zijn niet wezenlijk anders uitgevallen sinds Al-Khawaja & Tahery.15
Nationale jurisprudentie
De uitspraken van de Hoge Raad zijn zo goed als bindend voor de feitenrechters. Bij het in kaart brengen van het nationale recht heb ik daarom voornamelijk gebruik gemaakt van arresten van de Hoge Raad. Uitspraken van feitenrechters heb ik voornamelijk gebruikt om kwesties te bespreken die zich niet hebben voorgedaan in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Uiteraard is het ook ten aanzien van arresten van de Hoge Raad van belang rekening te houden met de rechtsontwikkeling. Zo zijn de in het Wetboek van Strafvordering genoemde gronden om getuigenverzoeken af te wijzen in de loop der tijd gewijzigd en heeft de Hoge Raad zijn regels een aantal malen aangepast op grond van ehrm-arresten.16 Aan oudere arresten kan ten aanzien van die aspecten dan niet het geldende recht worden ontleend.
Selectie van vermelde bronnen
In beginsel zijn alle uitspraken van het ehrm en van de Hoge Raad in dit onderzoek betrokken. Omdat veel uitspraken dezelfde algemene rechtsoverwegingen bevatten en bij de toepassing daarvan in concrete zaken dikwijls vergelijkbare overwegingen zijn opgenomen, heb ik in de voetnoten volstaan met het noemen van enkele bronnen waaruit het in de hoofdtekst genoemde kan worden afgeleid. Ten aanzien van de bronvermelding is derhalve geen volledigheid beoogd. Bij de selectie van de uitspraken is ten eerste rekening gehouden de wijze waarop het in de hoofdtekst gestelde in een uitspraak is geformuleerd (een uitspraak met een treffende, duidelijke formulering heeft voorrang gekregen), ten tweede met het gewicht van de uitspraak (bij voorkeur een uitspraak van de Grand Chamber) en ten derde met de actualiteit (bij voorkeur een recente uitspraak waaruit blijkt dat een regel of uitgangspunt onderdeel uitmaakt van het geldende recht).