Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/0.4.3.3
4.3.3 Analyse van nationale jurisprudentie
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 januari 2013, NJ 2013, 145.
Zie bijvoorbeeld HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:846.
Zie bijvoorbeeld HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:537: ‘Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8, 15 en 16 kan het middel niet tot cassatie leiden.’ Zie over het belang van conclusies bij de interpretatie van arresten van de Hoge Raad: Corstens 2009, p. 228-229.
Zie bijvoorbeeld HR 24 januari 2012, NJ 2012, 84, r.o. 2.4.
Borgers heeft herhaaldelijk kritiek geleverd op de soms uiterst beperkte motiveringen door de Hoge Raad. Zie bijvoorbeeld onderdeel 5 van zijn noot onder HR5 oktober 2010, NJ 2010, 612, over de arresten met betrekking tot de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv. Zie met betrekking tot het ondervragingsrecht onderdeel 7 van de noot van Schalken onder HR 10 december 2013, NJ 2014, 313.
HR 24 januari 2012, NJ 2012, 84, r.o. 2.4.
HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 827.
HR 11 juni 2002, NJ 2002, 459.
Zie daarover uitvoeriger § 3.3.1 van hoofdstuk 6.
Algemeen
In vergelijking met de beoordelingen door het ehrm worden naar nationaal recht meer regels en minder uitgangspunten gehanteerd. Het Wetboek van Strafvordering bevat regels met betrekking tot het afwijzen van getuigenverzoeken. Het standaardarrest met betrekking tot de vraag welke bewijsrechtelijke consequenties het niet hebben kunnen ondervragen van een getuige moet hebben, geeft in vrij absolute termen aan in welke gevallen een bewezenverklaring geen strijd oplevert met artikel 6evrm.1 Waar het ehrm veelvuldig varieert met de formulering van de toepasselijke regels en uitgangspunten, hanteert de Hoge Raad in verschillende arresten over het algemeen exact dezelfde formuleringen.
Wanneer de Hoge Raad een cassatiemiddel heeft beoordeeld, wordt de beslissing daarop lang niet altijd van een inhoudelijke motivering voorzien. Dikwijls wordt slechts vastgesteld dat het middel niet tot cassatie kan leiden, onder toevoeging van de zin: ‘Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.’2 Dit type beslissingen is vergelijkbaar met de vaststelling door het ehrm dat een klacht kennelijk ongegrond is. Het verschil is dat de beslissing van de Hoge Raad niet wordt onderbouwd. Bij sommige arresten is op grond van de feiten en omstandigheden van de zaak wel duidelijk waarom een klacht op deze manier is afgedaan. Dat is echter lang niet altijd het geval. Wanneer de advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het middel faalt, kunnen de daarvoor door hem genoemde argumenten ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing. Dat is echter niet zeker. Het is alleen zeker wanneer de Hoge Raad expliciet aangeeft dat hij de argumenten van de advocaatgeneraal overneemt.3
Het afleiden van regels en uitgangspunten uit algemene overwegingen
Evenals het ehrm, geeft de Hoge Raad in zijn gemotiveerde arresten over het algemeen een overzicht van de regels die van toepassing zijn voor de beoordeling van het desbetreffende cassatiemiddel. Hoewel de betekenis daarvan soms pas duidelijk wordt door de toepassing in concrete zaken te bestuderen, is de inhoud van deze regels over het algemeen vrij duidelijk en is ook duidelijk wat de consequentie moet zijn van de toepassing van de regel.
Het afleiden van regels en uitgangspunten uit overwegingen met betrekking tot de beoordeling van het cassatiemiddel
Voor de beoordeling van een klacht met betrekking tot het ondervragingsrecht heeft de Hoge Raad aanzienlijk minder woorden nodig dan het ehrm. Hij volstaat dikwijls met een paar zinnen, waarin bijvoorbeeld wordt aangegeven dat het oordeel van het gerechtshof dat de getuigenverklaring voldoende steun vond in ander bewijsmateriaal niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.4 Welk bewijsmateriaal de Hoge Raad daarbij precies van belang acht en waarom dat voldoende steun geeft, wordt daarmee niet duidelijk. Dat maakt het lastig om vast te stellen welke betekenis aan het arrest moet worden gehecht.5 Ook wanneer e Hoge Raad iets uitvoeriger motiveert, is de motivering doorgaans beperkt tot enkele gezichtspunten. Zo noemt de Hoge Raad soms ‘hetgeen door de verdediging is aangevoerd’ als gezichtspunt. Welke aspecten van de standpunten van de verdediging de Hoge Raad dan precies relevant heeft geacht, noemt hij niet expliciet.6 De relevante feiten en omstandigheden worden overigens lang niet altijd in het arrest zelf genoemd. Dikwijls bevat de conclusie van de advocaat-generaal uitvoerigere informatie.
Inconsistenties
De Hoge Raad is over het algemeen consistent in de gehanteerde formuleringen. Wel heeft de Hoge Raad soms onderdelen van eerdere rechtsoverwegingen weggelaten, die in latere arresten toch weer werden gebruikt. Dit is een aantal malen gebeurd met betrekking tot het criterium dat wordt gebruikt om vast te stellen of voldoende steunbewijs bestaat voor een getuigenverklaring. Het steunbewijs moet sinds oktober 1999 betrekking hebben op de door de verdachte betwiste onderdelen van de getuigenverklaring.7 In bijvoorbeeld het arrest Scheper noemde de Hoge Raad dat aspect niet in zijn algemene overwegingen.8 Dat roept de vraag op of de Hoge Raad in die zaak anders dacht over de voorwaarden die aan het steunbewijs moesten worden gesteld of slechts heeft nagelaten een relevant onderdeel van de overwegingen uit NJ 1999, 827 te noemen.9