Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/2.6.2
2.6.2 Emancipatie van mens en burger in de samenleving: het politieke en het sociale principe
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181134:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
A.W.W. Rieter e.a., Hadden zij gedacht. Uit de geschiedenis van het denken over recht, Berkel-Enschot 1988, p. 411.
K. Marx, Zur Judenfrage, in: Karl Marx, Friedrich Engels, Werke, Berlin: Dietz Verlag 1976 (oorspronkelijke uitgave 1844), p. 347-377.
Rieter e.a. 1988, p. 411.
Rieter e.a. 1988, p. 412.
Rieter e.a. 1988, p. 412.
Deze burgerlijke maatschappij kwalificeert Marx in de sfeer van egoïsme en van bellum omnium contra omnes (‘oorlog van allen tegen allen’). Marx 1844, p. 356.
Rieter e.a. 1988, p. 413.
Rieter e.a. 1988, p. 413.
Marx 1844, p. 355: “Der Konflikt, in welchem sich der Mensch als Bekenner einer besondern Religion mit seinem Staatsbürgertum, mit den andern Menschen als Gliedern des Gemeinwesens befindet, reduziert sich auf die weltliche Spaltung zwischen dem politischen Staat und der bürgerlichen Gesellschaft. Für den Menschen als bourgeois ist das «Leben im Staate nur Schein oder eine momentane Ausnahme gegen das Wesen und die Regel». Allerdings bleibt der bourgeois, wie der Jude, nur sophistisch im Staatsleben, wie der citoyen nur sophistisch Jude oder bourgeois bleibt; aber diese Sophistik ist nicht persönlich. Sie ist Sophistik des politischen Staates selbst. Die Differenz zwischen dem religiösen Menschen und dem Staatsbürger ist die Differenz zwischen dem Kaufmann und dem Staatsbürger, zwischen dem Taglöhner und dem Staatsbürger, zwischen dem Grundbesitzer und dem Staatsbürger, zwischen dem lebendigen Individuum und dem Staatsbürger. Der Widerspruch, in dem sich der religiöse Mensch mit dem politischen Menschen befindet, ist derselbe Widerspruch, in welchem sich der bourgeois mit dem citoyen, in welchem sich Mitglied der bürgerlichen Gesellschaft mit seiner politischen Löwenhaut befindet.”
Marx 1844.
Marx 1844, p. 366.
Marx 1844, p. 361: “Wir sagen also nicht mit Bauer den Juden: Ihr könnt nicht politisch emanzipiert werden, ohne euch radikal vom Judentum zu emanzipieren. Wir sagen ihnen vielmehr: Weil ihr politisch emanzipiert werden könnt, ohne euch vollständig und widerspruchslos vom Judentum loszusagen, darum ist die politische Emanzipation selbst nicht die menschliche Emanzipation. Wenn ihr Juden politisch emanzipiert werden wollt, ohne euch selbst menschlich zu emanzipieren, so liegt die Halbheit und der Widerspruch nicht nur in euch, sie liegt, in dem Wesen und der Kategorie der politischen Emanzipation, Wenn ihr in dieser Kategorie befangen seid, so teilt ihr eine allgemeine Befangenheit. Wie der Staat evangelisiert, wenn er, obschon Staat, sich christlich zu dem Juden verhält, so politisiert der Jude, wenn er, obschon Jude, Staatsbürgerrechte verlangt.” Augustinus bespreekt een vergelijkbare problematiek, maar dan in de rechtsverhouding tussen de chrsiten en de aardse rechtsorde. Zie daarover paragraaf 2.3.2 (‘Verzoening van Augustinus’ Stad van God en Stad der Wereld: de innige relatie van de christen-burger met zijn aardse rechtsorde’).
Marx 1844, p. 370.
Marx 1844, p. 370.
Rousseau 1762, Livre II, Chapitre VII.
Rieter e.a. 1988, p. 415.
Rieter e.a. 1988, p. 416.
Magnette 2005, p. 163.
Volgens het liberale denken van Constant dient de interventie van de staat te zijn beperkt tot een minimum, zo blijkt uit het voorgaande. De individuele vrijheid van de mens is immers het hoogste goed. Een van de gevolgen van een gereserveerde en afwezige staat is echter sociale ongelijkheid en verhevigde klassenstrijd onder mensen, aldus Karl Marx, hetgeen op zijn plek de emancipatie van de mens belemmert. Welnu, op welke wijze volgt deze conclusie uit de door Marx geponeerde premissen?
Karl Marx werd geboren in 1818 in Trier. In het voorwoord dat hij schrijft in Zur Kritik der politischen Oekonomie verdeelt hij zijn denken in drie verschillende stadia.1 Het eerste stadium van zijn denken eindigt hij rond het jaar 1844. Gedurende de eerste periode heeft hij onder andere gestudeerd (rechten, geschiedenis, literatuur en filosofie) en een proefschrift geschreven over de natuurfilosofie van Democritus en Epicurus. Vanaf 1844 heeft hij zich met name geconcentreerd op economie en ontwikkelde hij een eigen opvatting aangaande geschiedenis, het zogenoemd historisch materialisme. Dit omvat het tweede stadium. Na het revolutiejaar 1848 heeft hij zich op grond van zijn geschiedenisopvatting nogmaals beziggehouden met de economie, hetgeen het derde stadium aanstipt van zijn denken. In het kader van dit proefschrift is met name zijn geschrift Zur Judenfrage2 van belang, geschreven tussen het eerste en het tweede stadium van de ontwikkeling van zijn denken, namelijk in 1843.3 Vanuit een bepaalde visie van de mens wordt in dit geschrift kritiek geuit op in het bijzonder de burgerlijke maatschappij waar de nodige nadruk ligt op individuele vrijheid – zoals hiervoor gepleit door Constant. De visie van de mens die Marx hanteert is één als Gattungwesen, het zogenoemde species- wezen. Dat houdt volgens Marx in dat de gemeenschap, en de relatie tussen mensen onderling, het wezen karakteriseert van de mens. Volgens deze opvatting is deze individuele mens altruïstisch ingesteld. De opvatting van de mens als een altruïst is tevens te achterhalen bij de hiervoor behandelde De Mably. De Mably was de mening toegedaan dat de mens in gemeenschap dient te leven, zonder nadruk op individueel belang. Deze mening was ook Marx toegedaan. Een mens kan volgens Marx niet volwaardig mens zijn als hij in een volkomen isolement verkeert. De mens heeft de mens nodig, in verschillende (morele en economische) opzichten.4 Indien deze innerlijke dwang van de mens naar zijn medemens wordt getemperd, dan redt men het niet, of men verwildert.5
De burgerlijke maatschappij waar het Gattungwesen zich bevindt en dient te leven zorgt er echter volgens Marx voor – en hier wordt het problematisch voor hem – dat mensen onderling zich gedragen als allesbehalve een altruïst.6 Vanwege de nadruk volgens het liberale denken op de individuele vrijheid en het persoonlijke belang van de burger zijn de belangen onder mensen tegengesteld. Hierdoor past volgens Marx de burgerlijke maatschappij ‘op de mens ene reductie toe’.7 Zodoende maakt de burgerlijke maatschappij de mens ‘kleiner en benepener dan hij is’.8 Daar waar de ware mens zich intrinsiek verbonden voelt met zijn medemens, wordt hij door de burgerlijke maatschappij verwijderd van hem. In de burgerlijke maatschappij is de mens dan ook volgens Marx een egoïstisch individu, zelfzuchtig en op zichzelf en zijn privébelangen gericht. Een vergelijkbare reductie wordt niet alleen toegepast door de burgerlijke maatschappij, maar tevens door de staat. De reductie die de staat toepast op de mens is dat de staat bepaalde mensen een juridische status toekent. Deze juridische status, burgerschap, wordt door Marx gezien als een ‘politieke leeuwenhuid’.9 Zowel aan de mens als burger worden bepaalde rechten toegekend. De burgerlijke maatschappij kent rechten toe aan de mens en de staat kent rechten toe aan de burger. In Zur Judenfrage wordt ingegaan op het verschil tussen de rechten die de mens heeft en de rechten die de burger heeft aan de hand van de Déclaration des droits de l’homme et du citoyen de 1789. Waar de burger met name politiek geëmancipeerd is en vertegenwoordigd wordt in de staat, wordt door Marx een beroep gedaan op art. 2 van de Déclaration met betrekking tot de rechten die de mens (dus niet-burger) heeft. De tweede volzin van deze bepaling luidt: “Ces droits [rechten van de mens, GK] sont la liberté, la propriété, la sûreté, et la résistance à l’oppression.” Marx doorloopt stapsgewijs de betekenis van deze ‘mensenrechten’.10 Een van de conclusies die kan worden getrokken uit Marx’ onderscheid is dat de burger, in tegenstelling tot de mens, politiek gerepresenteerd wordt binnen de staat. Marx trekt het voorgaande door en stelt dat de burger tot dienaar van de egoïstische mens wordt verklaard, met als gevolg dat ‘nicht der Mensch als citoyen, sondern der Mensch als bourgeois für den eigentlichen und wahren Menschen genommen wird’.11 Vanwege de voorwaarde van bezit van eigendom ter verkrijging van burgerschap, promoveert juist de bourgeoisie en niet de burger tot de ware mens. Ten onrechte, volgens Marx, omdat het voorgaande sociale ongelijkheid met zich brengt. Sociale ongelijkheid belemmert op zijn beurt de emancipatie, aldus Marx. Daarnaast stelt Marx dat politieke emancipatie van de burger niet de absolute vorm van menselijke emancipatie is.12 Sterker nog, politieke emancipatie is volgens Marx een reductie van de mens, enerzijds tot lid van de burgerlijke maatschappij als een ‘onafhankelijk en egoïstisch individu’ en anderzijds tot burger.13 De vraag rijst wanneer de menselijke emancipatie dan wel voltooid is. Deze vraag wordt als volgt beantwoord door Marx, waarbij de nadruk komt te liggen op een collectieve toetreding van alle mensen – en niet alleen burgers – tot vrijheid:
“Erst wenn der wirkliche individuelle Mensch den abstrakten Staatsbürger in sich zurücknimmt und als individueller Mensch in seinem empirischen Leben, in seiner individuellen Arbeit, in seinen individuellen Verhältnissen, Gattungswesen geworden ist, erst wenn der Mensch seine «forces propres» (eigene Kräfte) als gesellschaftliche Kräfte erkannt und organisiert hat und daher die gesellschaftliche Kraft nicht mehr in der Gestalt der politischen Kraft von sich trennt, erst dann ist die menschliche Emanzipation vollbracht.”14
De nadruk die Constant legt op individuele vrijheid vormt derhalve een belemmering van het ideaal van Marx. Hoe meer de handelingen van individuen worden voortbewogen op grond van persoonlijke interesses, hoe groter de belangentegenstellingen van deze individuen. Bij het hierboven genoemde citaat grijpt Marx terug op een passage uit Rousseaus Du Contrat social (Livre II, Chapitre VII) waarbij de mens de eigen krachten (forces propres) zou moeten ontnemen teneinde een volk een staatsinrichting te geven.15 Ieder individu zou dan deel moeten uitmaken van het grotere geheel. Hiervoor is volgens Rousseau een verandering van de menselijke natuur noodzakelijk. Marx stelt gelijk met Rousseau dat de mensen hun krachten dienen te erkennen als maatschappelijke krachten en zich dusdanig moeten gaan organiseren.16 Anders dan Rousseau is Marx echter de mening toegedaan dat het niet noodzakelijk is om de menselijke natuur daarvoor te laten veranderen. Vermoedelijk heeft dit te maken met de in paragraaf 2.6.1 (‘De verandering van Hobbes’ mensbeeld en het belang van de individuele vrijheid’) beschreven verandering van het mensbeeld. Waar ten tijde van Rousseau met name werd teruggegrepen op het grimmige mensbeeld van Hobbes, of varianten daarop die enigszins milder waren, vond Marx dat de mens intrinsiek altruïstisch was ingesteld. Om die reden hoefde er geen verandering in de menselijke natuur plaats te vinden. Wat er wel diende te gebeuren is dat zowel de burgerlijke maatschappij als de staat dient te veranderen, en sociaal vriendelijker dient te worden; menigeen spreekt in dit kader van ‘de verandering van het politieke door het sociale principe’.17 De staat en de burgerlijke maatschappij dienen niet de plek te zijn waar alleen de algemene wil wordt gevormd, maar tevens waar sociale rechten worden gegarandeerd.18 Onder meer deze gedachtegang heeft ervoor gezorgd dat de verzorgingsstaat in de late negentiende eeuw zijn intrede deed.
Zoals uiteengezet aan het begin van deze paragraaf deden verschillende vragen zich voor na de Franse Revolutie ten aanzien van burgerschap, zoals wie ‘burgers’ zijn en hoe zij politiek moeten worden gepresenteerd. Met het oog op het voorgaande kan worden gesteld dat bij de implementatie van de idealen achter de Franse Revolutie ten minste twee componenten zijn toegevoegd aan het burgerschapsbegrip. Ten eerste is vanwege het opkomend liberale denken de nodige nadruk komen te liggen op de individuele vrijheid van de burger. Deze individuele vrijheid – volgens Constant de ware vrijheid – omvat meer dan alleen politieke representatie, namelijk andere politieke rechten zoals het recht op vrije meningsuiting en vereniging. Vanwege de toevoeging van de tweede component, namelijk politieke representatie, hebben burgers meer tijd en ruimte om zich te ontplooien en zich te focussen op persoonlijke belangen en interesses. De Mably en Marx zijn een andere mening toegedaan als het komt op de nadruk op individuele vrijheid en persoonlijke interesses. Beiden zijn ervan overtuigd dat de menselijke natuur zich kenmerkt door het altruïsme, met als gevolg dat de persoonlijke belangen en interesses van een individu niet doorslaggevend zijn. Marx trekt, vanwege de ingetreden sociale ongelijkheid onder burgers als gevolg van de nodige nadruk op individuele vrijheid, het voorgaande door en stelt dat menselijke emancipatie niet louter bestaat uit politieke emancipatie. Sociale rechten, onderdeel van de menselijke emancipatie, dienen tevens deel uit te maken van het burgerschapsbegrip, aldus Marx.
Gezien het voorgaande is het aannemelijk te stellen dat vanuit het perspectief van het vrije mandaat Marx in zekere zin in lijn staat met Mably en Rousseau. In beginsel stelt Marx dat de participatie van de burger in de rechtsorde van de staat er een moet zijn zoals in de klassieke oudheid, dus zonder vrij mandaat. Deze visie wordt in de twintigste eeuw voortgezet door Lenin. Een vrijheidsbegrip, en dus ook een burgerschapsbegrip, met vrij mandaat verdraagt zich niet met het type politieke representatie waar Marx voor staat.