Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.12.5:4.12.5 Afboeking meegekocht dividend en bedrijfswaarde
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.12.5
4.12.5 Afboeking meegekocht dividend en bedrijfswaarde
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS346762:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een interessant aspect van het begrip bedrijfswaarde — namelijk in relatie tot meegekocht dividend — komt aan de orde in een arrest van 8 december 19841. Daarin stelt Advocaat-Generaal Van Soest: Indien men de aandelen van een kasgeld-BV koopt voor een prijs lager dan het vermogen van de BV (aankoop beneden de intrinsieke waarde; op dat moment nog geen winstneming in verband met voorschrift waardering op aankoopprijs of lagere bedrijfswaarde) en er vervolgens meegekocht dividend wordt uitgekeerd, dient dit dividend naar evenredigheid op de kostprijs van de deelneming te worden afgeboekt hetgeen gedeeltelijke winstneming tot gevolg heeft. Uitgewerkt in een voorbeeld geeft dit het volgende beeld weer:
Casus
Een belanghebbende koopt een deelneming met een intrinsieke waarde van 1000 voor 950. Er is dus sprake van een discount van 5%, hetgeen bij kasgeld-vennootschappen zeker niet ongebruikelijk is. Vervolgens keert de kasgeldvennootschap 100 aan meegekocht dividend uit. In de visie van A-G Van Soest kan hiervan slechts 95 op de kostprijs van de deelneming worden afgeboekt en moet de resterende 5 (afgezien van de eventuele toepassing van de deelnemingsvrijstelling) in de winst worden begrepen. Uitgangspunt bij de waardering van activa dient te zijn dat op basis van de minimumwaarderingsregel (het zogenaamde Niederstwertprinzip'), de bedrijfswaarde de bottomline van de waardering is en dat beneden dit bedrag (binnen de grenzen van goed koopmansgebruik) niet kan worden gewaardeerd. Advocaat-Generaal Van Soest constateert bij uitkering van het dividend een gedeeltelijke winstrealisatie. De vraag die derhalve naar voren komt is, of de bedrijfswaarde van de deelneming na afboeking van het meegekocht dividend 850 (950 minus 100) of 855 (950 minus 95) bedraagt.
Hof en Hoge Raad2 staan in casu volledige afboeking van het ontvangen dividend terecht toe want met het bedrag van 100 daalt immers de waarde van de deelneming, bovendien is de 100 uitgekeerde dividend volledig terug te voeren tot de ten tijde van de aankoop van de deelneming daarin aanwezige (zichtbare) winstreserves.