Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3
4.3 Toepassing vertrouwensbeginsel bij algemene voorlichting en inlichtingen
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661577:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. Scheltens 1988; Lalji 1992; Overdijk 1993, p. 60-62; Happé 1996, par. 2.3 en 2.4.
Jansen 2013, par. 3.1.2, Douma e.a. 2021, p. 288, 292; Gorissen 2008, p. 80-81, Happé 1996, p. 164-178.
In de jurisprudentie worden de begrippen (algemene) voorlichting en inlichtingen niet consequent of strikt gescheiden gehanteerd, bijv. HR 14 juni 2000, nr. 35275, BNB 2000/330, r.o. 3.2; HR 29 januari 2021, nr. 20/01427, BNB 2021/76 inlichting en algemene voorlichting), r.o. 2.4.2-2.4.3; HR 5 november 2021, nr. 20/03173, BNB 2022/10, r.o. 4.2.1 (algemene voorlichting), r.o. 4.2.1. Zie ook HR 26 september 1979, nr. 19 250, BNB 1979/311 (inlichting), HR 9 maart 1988, nr. 24199, BNB 1988/148(algemene voorlichting) en HR 3 januari 1990, nr. 26 325, BNB 1990/148 (inlichting en algemene voorlichting). Zie de conclusie van Staatsraad A-G Wattel 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, Bijlage 2, punt 2.16: ‘De Hoge Raad behandelt beide vormen hetzelfde.’; NDFR deel Formeel belastingrecht, Vertrouwensbeginsel, par. 3.1.2.
Zo kunnen ook IB-ondernemers en rechtspersonen verwachtingen ontlenen aan voorlichting en zich beroepen op het vertrouwensbeginsel (zie paragraaf 1.5.3).
In deze paragraaf bespreek ik de fiscale rechtspraak over de toepassing van het vertrouwensbeginsel bij algemene voorlichting en inlichtingen. De (beperkt) beschikbare literatuur waarin de huidige stand van de rechtspraak wordt bediscussieerd, dateert met name uit de beginperiode van de voorlichtingsjurisprudentie, eind jaren 70 en 80, begin jaren 90.1 Daarna is de discussie verstomd (paragraaf 1.3). Onduidelijk is of de gezichtspunten van toen heden ten dage nog houdbaar zijn, of modernisering nodig is. Mijn aanpak is er dan ook op gericht om karaktereigenschappen van de categorie algemene voorlichting en inlichtingen te identificeren, relevante factoren en aannames bloot te leggen, zodat deze uiteindelijk (beter) toetsbaar worden.
Doel van deze paragraaf is om de ‘bouwstenen’ uit de voorlichtingsjurisprudentie in kaart te krijgen om daarmee uiteindelijk de houdbaarheid van de huidige koers te kunnen beoordelen in het licht van het juridische kader bij voorlichting en relevante ontwikkelingen (paragraaf 4.7). Deze aanpak is nodig, omdat de inzichten uit het juridische kader lieten zien dat voorlichting onder andere een rechtszekerheidsfunctie dient en de juridische beoordeling van door voorlichting gewekte verwachtingen daarbij zou moeten aansluiten (hoofdstuk 2).
Ik maak twee methodologische opmerkingen. De in dit onderzoek gehanteerde definitie van voorlichting (paragraaf 1.7.3) valt in het jurisprudentiële kader in principe onder de hoofdcategorie niet-bindende uitingen, waarbinnen de categorieën algemene voorlichting en (individuele) inlichtingen worden geschaard. In de literatuur wordt wel een onderscheid gemaakt tussen deze twee categorieën.2 Echter, de Hoge Raad ziet daartussen geen juridisch relevant onderscheid en beoordeelt (vertrouwen ontleend aan) beide vormen op dezelfde wijze met dezelfde criteria.3 Dat neemt niet weg dat er relevante verschillen tussen beide bestaan (paragraaf 4.3.6). In de tweede plaats is van belang dat dit onderzoek is gericht op bij de burger gewekt vertrouwen (paragraaf 1.5). De rechtspraak is echter niet beperkt tot deze groep.4 Hierna ligt de nadruk op de hier relevante rechtspraak.
4.3.1 Definitie van algemene voorlichting en inlichtingen4.3.2 Hoofdregel: Nee, tenzij4.3.3 Criterium (i) niet-kenbaarheidsvereiste4.3.4 Criterium (ii) dispositievereiste4.3.5 Omstandigheid: voorbehoud (‘disclaimer’)4.3.6 Onderscheid tussen algemene en individuele voorlichting4.3.7 Voorlichting en andere beginselen van behoorlijk bestuur4.3.8 Samenvatting