Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/4.3.4.2
4.3.4.2 Tweede opvatting
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS303752:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie Timmerman onder 3.44 bij: HR 23 maart 2012, JOR 2012, 141 m.nt. Josephus Jitta en Barkhuysen. Zie in dit verband tevens Schild 2012, p. 125-126.
Mendel & Oostwouder 2013-1, p. 28.
In dit artikellid is bepaald: ‘Voor zover bij de statuten niet anders is bepaald, zijn aan alle aandelen in verhouding tot hun bedrag gelijke rechten en verplichtingen verbonden.’ Dit lijkt erop te duiden dat de rechten en verplichtingen van de aandeelhouder uit het aandeel zelf voortvloeien.
Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 217.1.
Hoewel in de literatuur doorgaans wordt aangenomen dat de rechten en plichten van de aandeelhouder voortvloeien uit de rechtsbetrekking tussen de aandeelhouder en de vennootschap, kan ook een andere opvatting worden verdedigd. Timmerman lijkt in zijn conclusie bij het arrest inzake e-Traction te overwegen dat het stemrecht een aan het aandeel verbonden nevenrecht is.1 Hierin zou kunnen worden gelezen dat het stemrecht (en waarschijnlijk ook de andere rechten van de aandeelhouder) voortvloeit uit het aandeel en dus niet zozeer uit de rechtsbetrekking tussen de aandeelhouder en de vennootschap.
Ook Mendel en Oostwouder lijken te overwegen dat de rechten en plichten verbonden zijn aan het aandeel en niet zozeer aan de rechtsbetrekking.2 Daarnaast lijkt ook de wet blijkens artikel 2:92 lid 1 BW uit te gaan van de opvatting dat de rechten en plichten van de aandeelhouders voortvloeien uit het aandeel.3 Ook Dortmond lijkt deze opvatting toegedaan, althans voor zover het om het stemrecht gaat.4 Wanneer deze opvatting in een schema wordt geplaatst, zou dat er als volgt uit komen te zien:
Ik meen dat ook een derde en vierde opvatting kunnen worden geformuleerd. Een verschil met de eerste en tweede opvatting is dat bij de derde en vierde opvatting sprake is van twee rechtsbetrekkingen, één directe rechtsbetrekking tussen de aandeelhouder en de vennootschap en één indirecte rechtsbetrekking tussen de aandeelhouder en de vennootschap via het aandeel.