Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VI.4.5.5
VI.4.5.5 De facto goedkeuringsbevoegdheid bij niet-structuurvennootschappen?
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242682:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Evenzo onder anderen Blanco Fernández 2016, p. 49; Croiset van Uchelen, TOP 2014/242; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; Keukens & Visser, WPNR 2013/6993, p. 942; Lennarts & Roest 2016, p. 122; Salemink, MvO 2017, afl. 1-2, p. 15-16; Schwarz 2017b, p. 142; en Timmerman 2009, p. 26-27.
Ervan uitgaande dat iedere commissaris een gelijk aantal stemmen kan uitbrengen.
Lennarts & Roest 2016, p. 122. Ook Dumoulin, Ondernemingsrecht 2005/91; en Keukens & Visser, WPNR 2013/6993, p. 943-944, wijzen hierop.
Ditzelfde voorbeeld gaf ik in § VI.4.4.4. Vgl. ook Keukens & Visser, WPNR 2013/6993, p. 943-944; en Verdam, Ondernemingsrecht 2018/117.
In dit voorbeeld ga ik ervan uit dat alle bestuurders deelnemen aan de besluitvorming. Mocht een bestuurder een tegenstrijdig belang hebben, dan pakt dit uiteraard anders uit.
Blanco Fernández 2016, p. 48-49.
Zie art. 2:87b/192 lid 1 sub b BW.
Zie art. 2:78a/189a BW.
Ik merk voor de volledigheid op dat de niet-uitvoerende bestuurders de besluiten in dat geval niet in hoedanigheid van bestuurder, maar in hoedanigheid van aandeelhouder goed- of afkeuren. Dat roept natuurlijk vragen op. Want aandeelhouders zijn niet gehouden zich te richten naar het vennootschappelijk belang. Zie HR 30 juni 1944, NJ 1944, 465 (Wennex), HR 13 november 1959, NJ 1960, 472 (Melchers) en HR 19 februari 1960, NJ 1960, 473 m.nt. Hijmans van den Bergh (Aurora). Dit uitgangspunt verdient nuancering. Ook aandeelhouders behoren zich op grond van art. 2:8 BW te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Hoe groter de invloed van de aandeelhouder is, hoe meer hij het vennootschappelijk belang in acht moet nemen. Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 16 oktober 2001, JOR 2001/251 m.nt. Blanco Fernández (Westfield/RNA). Aangezien de niet-uitvoerende bestuurders met de goedkeuringsbevoegdheid een machtig wapen in handen hebben, vraag ik mij af of zij het vennootschappelijk belang zonder meer in de wind kunnen slaan. Ik ga hier verder niet op in, aangezien deze materie het bestek van dit boek te buiten gaat.
Keukens & Visser, WPNR 2013/6993, p. 945.
Zie art. 13.2 van de statuten van Gemalto Holding BV d.d. 12 juni 2019.
Zie Unilever NV Annual Report & Accounts 2019, p. 49.
Zie Amsterdam Commodities NV Annual Report 2019, p. 48.
Verdam 2017, p. 169.
Boschma e.a. troffen deze optie aan in de statuten van één beursvennootschap en één private equity vennootschap. Zie Boschma e.a. 2018, p. 72.
In gelijke zin Lennarts & Roest 2016, p. 122.
Aldus ook Verdam 2017, p. 168-169.
Schwarz 2017b, p. 142.
Schoonbrood & Meppelink, WPNR 2016/7118, p. 684. Idem Galle, Ondernemingsrecht 2007/152; Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, p. 284; en Verdam 2017, p. 168. Lennarts & Roest 2016, p. 122-123, zijn daarentegen minder stellig. Gelet op de tekst van art. 2:129/239 lid 2 BW, aarzelen zij of het mogelijk is om enkel voor bepaalde besluiten met een gedifferentieerd stemrecht te werken. Uit het tweede lid van art. 2:129/239 BW volgt inderdaad niet dat per besluit in het stemrecht kan worden gedifferentieerd. Maar de wettekst staat daar ook niet aan in de weg. Bovendien is het door de toepassing van art. 2:129a/239a lid 3 BW mogelijk dat bepaalde bestuursbesluiten door een deel van het bestuur worden genomen. Bestuurders die niet aan de besluitvorming over deze besluiten deelnemen, kunnen derhalve in het geheel geen stem uitbrengen. Waar het meerdere mag, mag het mindere mijns inziens ook.
Zie onder meer Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/438; Kleipool, Van Olffen & Roelvink 2017, p. 195; Nowak, Ondernemingsrecht 2016/113; Van Olffen, Ondernemingsrecht 2013/90; en Verdam, Ondernemingsrecht 2013/102. Deze gekwalificeerde meerderheidseisen behoeven mijns inziens niet in de statuten te worden vastgelegd. Anders dan voor het meervoudige stemrecht, eist de wet immers geen statutaire regeling voor meerderheidseisen binnen het bestuur. Idem Schoonbrood & Meppelink, WPNR 2016/7118, p. 686.
Zie art. 18.3 en 18.4 van de statuten van OCI NV d.d. 15 september 2016. Zie voorts art. 20.1 van het bestuursreglement van OCI NV d.d. 15 november 2017. Eenzelfde regeling is te vinden in de statuten van Prosus NV, zie art. 20.3 en 20.4 van de statuten van Prosus NV d.d. 16 september 2019.
Zoals ik in § VI.4.5.2 al schreef, kan de goedkeuringsbevoegdheid van art. 2:129/239 lid 3 BW niet aan de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders worden toegekend. Dit wil evenwel niet zeggen dat de niet-uitvoerende bestuurders van niet-structuurvennootschappen geen de facto goedkeuringsbevoegdheid kunnen hebben.
Zolang de niet-uitvoerende bestuurders getalsmatig in de meerderheid zijn en iedere bestuurder een gelijk aantal stemmen kan uitbrengen, is er in beginsel niets aan de hand. Er is evenmin een probleem wanneer de niet-uitvoerende bestuurders weliswaar niet in de meerderheid zijn, maar de statuten op grond van art. 2:129/239 lid 2 BW bepalen dat de niet-uitvoerende bestuurders tezamen meer stemmen mogen uitbrengen dan de uitvoerende bestuurders tezamen. Ook dan kunnen zij een bestuursbesluit tegenhouden door tegen het voorstel te stemmen.1 Toch is de positie van de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders met een meerderheid van de stemrechten in het bestuur niet vergelijkbaar met de positie van de raad van commissarissen met een goedkeuringsbevoegdheid. Ik noem twee belangrijke verschillen.
In de eerste plaats kunnen de niet-uitvoerende bestuurders in beginsel alle bestuursbesluiten tegenhouden wanneer zij de meerderheid van de stemrechten hebben. De raad van commissarissen kan daarentegen niet alle bestuursbesluiten vetoën, maar slechts de besluiten die aan zijn goedkeuring zijn onderworpen. Overigens is dit verschil niet zo groot als dat het op het eerste oog doet vermoeden. De niet-uitvoerende bestuurders hebben slechts een doorslaggevende stem bij bestuursbesluiten die door de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders tezamen worden genomen. Bestuursbesluiten die door de toepassing van art. 2:129/239a lid 3 BW door een of meer uitvoerende bestuurders worden genomen, kunnen zij in beginsel niet blokkeren.
Ten tweede heeft de goedkeuringsbevoegdheid van de raad van commissarissen een ander effect. Lennarts en Roest wijzen er terecht op dat de raad van commissarissen het bestuur kan terugfluiten wanneer de meerderheid van de commissarissen het bestuursbesluit afkeurt.2 Als de niet-uitvoerende bestuurders net een meerderheid van de stemrechten hebben, moeten zij unaniem tegen het voorstel stemmen om het bestuursbesluit tegen te houden.3 Ik geef een voorbeeld ter illustratie.4 Stel dat het bestuur uit drie uitvoerende en vier niet-uitvoerende bestuurders bestaat. De drie uitvoerende bestuurders en één niet-uitvoerend bestuurder stemmen voor, de overige niet-uitvoerende bestuurders stemmen tegen. Ondanks dat de meerderheid van de niet-uitvoerende bestuurders tegen stemt, komt het besluit tot stand.5 Het hebben van een meerderheid van de stemrechten, is dus niet altijd zaligmakend in een one tier board.
Toch is er geen man overboord. Er zijn namelijk verschillende mogelijkheden om de niet-uitvoerende bestuurders meer slagkracht te geven. De eerste optie ontleen ik aan Blanco Fernández.6 Hij komt met het idee om een bijzonder soort aandelen uit te geven aan de niet-uitvoerende bestuurders. Aan deze aandelen kan de kwaliteitseis worden verbonden dat de houders daarvan niet-uitvoerende bestuurders zijn.7 Omdat de vergadering van houders van deze aandelen kwalificeert als orgaan,8 kunnen bepaalde bestuursbesluiten op grond van art. 2:129/239 lid 3 BW bij of krachtens de statuten aan de goedkeuring van deze vergadering – bestaande uit niet-uitvoerende bestuurders – worden onderworpen. Aldus kan worden bewerkstelligd dat de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders een goedkeuringsbevoegdheid hebben die gelijk is aan de goedkeuringsbevoegdheid van de raad van commissarissen.9
Keukens en Visser noemen nog een andere mogelijkheid. Volgens hen kunnen de niet-uitvoerende bestuurders pas echt een vuist maken als de meerderheid van de stemmen van de niet-uitvoerende bestuurders tevens een meerderheid van alle bestuursstemmen oplevert. Dit kan door de one tier board zo in te richten dat de niet-uitvoerende bestuurders een getalsmatige overmacht hebben, maar bijvoorbeeld ook door te werken met een gedifferentieerd stemrecht of een combinatie van beide. Het gevolg is dat de meerderheid van de niet-uitvoerende bestuurders in staat is alle bestuursbesluiten te blokkeren die door de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders tezamen worden genomen.10
Gemalto Holding BV heeft voor deze optie gekozen. Het bestuur van Gemalto Holding BV bestaat uit één uitvoerend bestuurder en vijf niet-uitvoerende bestuurders. Volgens art. 11.5 van de statuten besluit het bestuur met volstrekte meerderheid.11 Ook bij Unilever NV en Amsterdam Commodities NV is het bestuur zodanig samengesteld dat de meerderheid van de stemmen van de niet-uitvoerende bestuurders een meerderheid van alle bestuursstemmen oplevert. In het bestuur van Unilever NV zetelen namelijk twee uitvoerende en elf niet-uitvoerende bestuurders.12 Het bestuur van Amsterdam Commodities NV bestaat uit één uitvoerend en vier niet-uitvoerende bestuurders.13
Verdam wijst erop dat een vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt door een met art. 2:164a/274a lid 4 BW vergelijkbare regeling in de statuten of het bestuursreglement op te nemen. Bepaald zou bijvoorbeeld kunnen worden dat voor rechtsgeldige besluitvorming vereist is dat de meerderheid van alle bestuurders plus de meerderheid van de niet-uitvoerende bestuurders voor het voorstel stemt.14 Ook dan hebben de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders een bevoegdheid die dicht tegen de goedkeuringsbevoegdheid van de raad van commissarissen aanschuurt.15
Ik merk op dat de hierboven geschetste mogelijkheden gelden voor alle besluiten die door de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders tezamen worden genomen.16 Dat hoeft niet bezwaarlijk te zijn. Ik breng in herinnering dat door de toepassing van art. 2:129a/239a lid 3 BW kan worden bewerkstelligd dat alleen belangrijke besluiten door het bestuur als geheel moeten worden genomen, zodat de meerderheid van de niet-uitvoerende bestuurders enkel deze besluiten kan vetoën.17
Desalniettemin vind ik het interessant te bezien of ook per besluit kan worden gedifferentieerd in het stemrecht en/of gekwalificeerde meerderheidseisen. Kan bijvoorbeeld worden bewerkstelligd dat de niet-uitvoerende bestuurders slechts voor besluiten als genoemd in art. 2:164/274 lid 1 BW een de facto goedkeuringsbevoegdheid hebben?
Ook Schwarz stond stil bij deze vraag. Volgens hem kan inderdaad in de statuten worden bepaald dat de niet-uitvoerende bestuurders alleen bij bepaalde bestuursbesluiten een meervoudig stemrecht hebben.18 Schoonbrood en Meppelink huldigen eenzelfde standpunt. Zij menen eveneens dat per besluit kan worden gedifferentieerd in het stemrecht, zolang art. 2:129/239 lid 2 BW maar in acht wordt genomen.19 Daarnaast kunnen bepaalde bestuursbesluiten aan de ‘goedkeuring’ van de niet-uitvoerende bestuurders worden onderworpen. Algemeen wordt namelijk aangenomen dat in de statuten of het bestuursreglement kan worden bepaald dat voor bepaalde bestuursbesluiten, naast een meerderheid van het bestuur, een meerderheid van niet-uitvoerende bestuurders voor het desbetreffende besluit moet stemmen.20
Deze mogelijkheid wordt benut door OCI NV. Art. 18.3 van de statuten somt bestuursbesluiten op die uitsluitend kunnen worden genomen wanneer de meerderheid van de niet-uitvoerende bestuurders met die besluiten instemt. Art. 18.4 van de statuten biedt het bestuur de mogelijkheid nadere besluiten aan te wijzen waarvoor tevens is vereist dat de meerderheid van de niet-uitvoerende bestuurders met het besluit instemt.21
Laatstgenoemde regeling komt overeen met art. 2:164a/274a lid 4 BW. Deze regeling stelt de niet-uitvoerende bestuurders daadwerkelijk in staat bepaalde – met name genoemde – besluiten te blokkeren. Dat maakt deze optie dan ook uitermate geschikt voor beursvennootschappen die zijn onderworpen aan de Code. Door de hiervoor geschetste regeling in de statuten of het bestuursreglement op te nemen, kunnen zij toepassing geven aan de best practice bepalingen die bestuursbesluiten aan de goedkeuring van de niet-uitvoerende bestuurders onderwerpen. Overigens verdient het ook voor niet-beursvennootschappen aanbeveling voor bepaalde bestuursbesluiten zo’n gekwalificeerde meerderheid te eisen. Een dergelijke regeling stelt de niet-uitvoerende bestuurders namelijk in staat effectief toezicht te houden, zonder dat zij hun stempel op alle bestuursbesluiten kunnen drukken.