Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/9.4:9.4 Forum conveniens: voldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/9.4
9.4 Forum conveniens: voldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS436763:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het element van de voldoende verbondenheid met de rechtssfeer van Nederland komt behalve in het forum non conveniens van art. 4 lid 3 sub b Rv, ook voor in het algemene forum conveniens van art. 3 sub c Rv en het specifieke forum conveniens van art. 5 Rv. Deze twee forum conveniens-varianten staan centraal in hoofdstuk 4. Anders dan het forum non conveniens heeft de toets van voldoende verbondenheid in de laatstgenoemde artikelen geen rechtsmachtbeperkende, maar juist een rechtsmachtscheppende functie. Forum conveniens verschaft de Nederlandse rechter een discretionaire beoordelingsvrijheid om van geval tot geval te bepalen of de uitoefening van rechtsmacht ondanks het ontbreken van een in de wet geëxpliciteerde aanknopingsfactor gerechtvaardigd is. In verzoekschriftprocedures verklaart de Nederlandse rechter zich op grond van art. 3 sub c Rv als forum conveniens internationaal bevoegd indien `de zaak anderszins voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is.' Als het gaat om een zelfstandige procedure inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (art. 5 Rv), geldt als voornaamste eis dat de uitoefening van rechtsmacht door de Nederlandse rechter in het belang van het kind moet zijn. De toepassing van de forum conveniens-varianten uit art. 3 sub c Rv en art. 5 Rv beperkt zich tot commune gevallen, dat wil zeggen tot gevallen die buiten het toepassingsgebied van relevante verdragen en EG-verordeningen vallen.
Art. 3 sub c verklaart de Nederlandse rechter internationaal bevoegd indien 'de zaak anderszins voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is.' De vereiste band zal uit een ander aanknopingspunt moeten bestaan dan die welke reeds in de commune rechtsmachtregeling tot uitdrukking wordt gebracht. Zo geldt dat art. 3 sub c Rv niet kan worden gebruikt, indien de rechtsmacht van de Nederlandse rechter reeds volgt uit een van de extra gronden voor de rechtsmacht genoemd in art. 6 Rv (par. 4.2.2). Het forum conveniens van art. 3 sub c Rv beperkt zich uitsluitend tot verzoekschriftzaken, met uitzondering van de verzoekschriftzaken genoemd in art. 4 Rv (echtscheiding) en art. 5 Rv (zelfstandige zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid). Art. 3 sub c Rv is in het bijzonder van belang voor personen- en familierechtelijke zaken van Nederlandse onderdanen die in het buitenland wonen, waarbij te denken valt aan zaken betreffende levensonderhoud, adoptie of meerder-j arigenbescherming (par. 4.2.4-4.2.6). De Nederlandse nationaliteit kan de door art. 3 sub c Rv vereiste binding met de rechtssfeer van Nederland opleveren. Art. 3 sub c Rv is echter geen belichaming van een absoluut forum nationalitatis (par. 4.2.3).
Art. 5 Rv geeft een negatieve bevoegdheidsregel voor zelfstandige zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid buiten echtscheiding. Art. 5 Rv is alleen van belang in gevallen waarin het kind zijn gewone verblijfplaats in een staat heeft waarvoor de Verordening Brussel Ilbis noch het Haagse Kinderbeschermingsverdrag 1961 (en in de toekomst 1996) geldt, terwijl de partijen evenmin de rechtsmacht van de Nederlandse rechter hebben geprorogeerd (art. 12 lid 3 Verordening Brussel 1Ibis). De negatieve bevoegdheidsregel in art. 5 Rv ontneemt rechtsmacht aan de Nederlandse rechter, indien het kind zijn gewone verblijfplaats buiten Nederland heeft (par. 4.3). De gedachte is dat de gerechten van de staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft zich in een veel geschiktere positie bevinden om een maatregel inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid te treffen. Op deze negatieve bevoegdheidsregel maakt (het op 1 mei 2006 gewijzigde) art. 5 Rv een uitzondering, in het geval de Nederlandse rechter zich forum conveniens acht. In uitzonderlijke gevallen verklaart de Nederlandse rechter zich bevoegd indien hij zich 'wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen' (bijv. als de ouders van het kind overeenstemming hebben bereikt omtrent de omgangsregeling of de wijziging ervan, par. 4.3.3).