Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/3.10
3.10 Inefficiëntie als gevolg van behartiging belang aandeelhouders (op de korte termijn)
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS299005:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband uitgebreid: Strine 2002, p. 1177 e.v. Zie hierover ook: Stout 2001/02.
Lees: de gedachte dat de vennootschap er is om de belangen van alle belanghebbenden zo goed mogelijk te behartigen.
Strine 2002, p. 1177 -1185.
Overigens is ook hier nog wel het een en ander op aan te merken. Zowel de biedingsstrijd om ABN AMRO alsook de vermogensonttrekking bij PCM zijn praktische voorbeelden van situaties waarin aandeelhouders hun eigen belang laten prevaleren boven de belangen van anderen, waaronder het belang van de vennootschap. Afgezien van de vraag of dit mag, moet dergelijk gedrag vanuit de stakeholdergedachte wel als waardevernietigend en dus onwenselijk worden beschouwd. Zie voor PCM onder meer: Barneveld 2009-1. In dit verband kan bovendien worden gewezen op het Engelse Cadburry, waarbij de bestuursvoorzitter de thans al beroemde opmerking maakte: ‘At the end of the day, individuals controlling shares which they had owned for only a few days or weeks determined the destiny of a company that had been built over almost 200 years.’ Zie in dit verband: Timmerman 2013-2.
Het eerste en tweede rechtseconomische argument gingen ervan uit dat het bestuur het belang van de aandeelhouders dient te behartigen. Hieronder zal worden beargumenteerd dat dit inefficiënt is vanuit het oogpunt van de vennootschap als pluralistische belangengemeenschap. Deze – onwenselijke – inefficiëntie wordt duidelijk tentoongespreid in een thans beroemd voorbeeld van Strine, hetgeen hier kort wordt beschreven.1
Strine beschrijft de keuze waarvoor het bestuur van de vennootschap ‘James Trains’ staat. Het bestuur kan de vennootschap verkopen aan de hoogste bieder, maar die bieder is van plan een groot deel van de werknemers en bestuurders te ontslaan en fabrieken te sluiten. Ook kan het bestuur de vennootschap verkopen aan een tweede bieder, die bereid is een minder hoog bedrag voor de aandelen te betalen, maar het merendeel van de werknemers zal behouden en de fabrieken zal blijven gebruiken. In een dergelijk scenario kan het zo zijn dat, wanneer vanuit een stakeholdersgedachte2 wordt beredeneerd, het waardeverlies voor de aandeelhouders vanwege de lagere verkoopprijs (relatief eenvoudig) wordt gecompenseerd door het behoud van banen en open houden van fabrieken. Wanneer het aandeelhoudersbelang bepalend is voor het bestuur, is zij echter genoodzaakt de vennootschap te verkopen aan de hoogste bieder, hetgeen in het licht van de stakeholdersgedachte eigenlijk inefficiënt is.3
Het door Strine gekozen voorbeeld is redelijk zwart-wit en zo evident zal het in de praktijk niet vaak zijn,4 maar desalniettemin legt het de zwakte van het hanteren van het aandeelhoudersbelang als richtlijn voor bestuurders in een stakeholder georiënteerd rechtspersonenrecht bloot.
Deze zwakte kan immers ook op subtielere wijze terugkomen. Het hanteren van het aandeelhoudersbelang als richtlijn werkt immers altijd gedrag in de hand waarbij waarde van de andere stakeholders naar de aandeelhouders wordt overgebracht. Een subtieler voorbeeld is het geval waarin een vennootschap besluit niet het dividend te verminderen, maar het salaris van haar werknemers te bevriezen dan wel minder te verhogen dan gepland of toch maar niet te investeren in een duurzamer productieproces, omdat de kosten en daarvan te verwachten winst voor de aandeelhouders niet opwegen tegen het belang van de aandeelhouders bij een dividenduitkering. Kortom, het hanteren van aandeelhoudersbelang als richtlijn voor het bestuur werkt gedrag in de hand dat zich niet richt op het optimaal behartigen van de belangen van de belanghebbenden bij de vennootschap, hetgeen vanuit die visie derhalve zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. Maar als deze conclusie wordt genomen, waarom hebben aandeelhouders dan toch zeggenschapsrechten? Zij zullen in beginsel immers hun eigen belang behartigen en niet dat van de andere belanghebbenden. Hier kan het derde rechtseconomische argument worden geïntroduceerd.