Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.2.4.5
3.2.4.5 Beschikken over een aandeel in een goed na ontbindingvan de VOF
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS384606:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Met het geven van toestemming blijft degene die toestemming verleent buiten de (rechts) handeling (hij wordt geen partij), maar hij accordeert deze slechts. De rechtshandeling kan wel rechtsgeldig plaatsvinden zonder toestemming, maar werkt pas tegen degene die toestemming moet geven als hij daadwerkelijk zijn toestemming heeft gegeven. Medewerking (zie bijv. in art. 3:182 BW) vereist in de regel wel deelname aan de rechtshandeling, die zonder de medewerking niet tot stand komt. Zie Van Rijssen 2006, p. 251-252 over het verschil tussen medewerking en toestemming.
Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 624.
Asser/Perrick 3-V* 2011/45.
HR 28 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG0973, NJ 2009/145. Zie voor hetzelfde standpunt onder het vóór Titel 3.7 geldende recht: HR 14 november 1969, ECLI:NL:HR:1969:AC3832, NJ 1970/283 (Van Blaaderen/Van Dijk). In de laatste zaak ging het over een tot een nalatenschap behorend perceel.
HR 28 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG0973, r.o. 3.4, NJ 2009/145.
Zie ook de conclusie van A-G Berger bij HR 14 november 1969, ECLI:NL:HR:1969:AC3832, NJ 1970/283 (Van Blaaderen/Van Dijk).
Een deelgenoot kan zonder toestemming1 van de overige deelgenoten niet beschikken over zijn aandeel in een tot de gemeenschap behorend goedafzonderlijk en zijn schuldeisers kunnen zijn aandeel niet uitwinnen (art. 3:190 lid 1 BW). Ook het vorderen van verdeling van een gemeenschappelijk goed door een gewezen vennoot is in strijd met de aard van de gemeenschap van de ontbonden vennootschap (art. 3:178 BW).2 Zou dit anders zijn, dan konden er ineens veel meer deelgenoten bijkomen en kwamen de oorspronkelijke deelgenoten steeds tegenover andere medegerechtigden te staan, hetgeen de vereffening en verdeling van de gehele gemeenschap zou bemoeilijken.3 Van belang is dat art. 3:190 lid 1 BW (‘kan niet beschikken’) het aandeel niet onoverdraagbaar, maar de deelgenoot beschikkingsonbevoegd maakt.4 Een derde die een aandeel in een gemeenschappelijk goed geleverd krijgt, kan tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder beschermd worden op grond van art. 3:86 BW, mits hij te goeder trouw is en aan de overige eisen voor bescherming wordt voldaan.
Overigens strekt het verbod van art. 3:190 lid 1 BW volgens de Hoge Raad niet verder dan zijn ratio verlangt.5 In een zaak waarin een deelgenoot zijn aandeel in een gemeenschappelijk perceel grond zonder toestemming van de overige deelgenoten verkocht en leverde, werd een beroep door die overige deelgenoten op art. 3:190 lid 1 BW niet gehonoreerd, omdat al overeenstemming was bereikt over de verdeling van de belangrijkste goederen en vereffening en verdeling van de gemeenschap niet bemoeilijkt werden door de betwiste verkoop en levering.6 Bovendien komt verkoop van een aandeel in het enige goed dat nog tot de gemeenschap behoort feitelijk op hetzelfde neer als de verkoop van een aandeel in een gehele gemeenschap, zodat de daarvoor geldende regels (zie hieronder) zich voor toepassing lenen.7