Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/2.3.2.2
2.3.2.2 Het tarief als grens
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855413:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Overigens geldt omgekeerd niet dat bij een tarief boven het maximumdagloon een rechtsvermoeden van zelfstandig ondernemerschap geldt.
Kamerstukken II 2021/22, 29 544, 1112, p. 24-25; Kamerstukken II 2021/22, 31 311, 246, p. 17-22.
Welke tariefgrens uiteindelijk wordt gehanteerd, wordt ten tijde van dit schrijven onderzocht (Kamerstukken II 2021/22, 31 311, 246, p. 19).
Dit zou een uitbreiding op het huidige art. 7:610a BW vormen. Overigens stipt Houweling aan dat niemand nog heeft uitgelegd waarom een tarief van € 16 per uur (mogelijk) in strijd zou zijn met Europese recht (zie par. 2.3.1.1), maar dat een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst bij een lager tarief dan € 30 à 35 per uur niet tot dergelijke problemen zou leiden. Overigens lijkt hij dit punt verderop in zijn bijdrage te nuanceren, nu hij schrijft dat het rechtsvermoeden natuurlijk een vermoeden is dat kan worden weerlegd (Houweling, TAC 2021/2).
Met definitie-elementen doel ik – kort gezegd – op arbeid, loon en gezag.
SER 2021, p. 12; Kamerstukken II 2021/22, 29 544, 1112, p. 24-25; Kamerstukken II 2021/22, 31 311, 246, p. 19.
Impliciet blijkt dit ook uit Kamerstukken II 2021/22, 29 544, 1112, p. 24; Kamerstukken II 2021/22, 31 311, 246, p. 18, waarin wordt opgemerkt dat er een normerende werking uit kan gaan van de koppeling tussen een rechtsvermoeden en een tariefgrens doordat de bij het rechtsvermoeden gehanteerde criteria in de praktijk doorwerken en partijen hiermee rekening gaan houden bij de totstandkoming van de overeenkomst. Volledigheidshalve merk ik op dat het ook de andere kant op kan werken: het minimumtarief wordt (voor een deel van de opdrachtnemers) ook meteen het maximumtarief.
Dit zou mogelijk consequenties kunnen hebben voor de effectiviteit van het rechtsvermoeden. Nu dit louter ziet op de kwalificatievraag, ga ik daar verder niet op in.
In juni 2021 bracht de SER het middellangetermijnadvies uit ten behoeve van de kabinetsperiode 2021-2025. Hierin beval de SER aan een weerlegbaar rechtsvermoeden van werknemerschap in te voeren bij een tarief onder het maximumdagloon (€ 30 à 35 per uur).1 De regering heeft de gedachte van de koppeling tussen zo’n rechtsvermoeden en een tariefgrens overgenomen in de plannen omtrent het werken met en als zelfstandige(n).2 Het idee is dat, als de opdrachtnemer aannemelijk maakt dat hij minder dan de (nog nader vast te stellen) tariefgrens verdient en vervolgens stelt dat hij in feite werknemer is,3 het rechtsvermoeden dan zou meebrengen dat in beginsel sprake is van werknemerschap (en alle bijbehorende bescherming).4 Het is dan aan de opdrachtgever om te bewijzen dat niet wordt voldaan aan alle definitie-elementen van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:610 lid 1 BW).5 De gedachte achter de koppeling tussen het rechtsvermoeden en de tariefgrens is dat de opdrachtnemers met beperkte onderhandelingsmacht, wat vaak resulteert in een laag tarief, via zo’n rechtsvermoeden een (procedurele) steun in de rug krijgen. Die (procedurele) ondersteuning is nodig, omdat deze opdrachtnemers (economisch) kwetsbaar zijn en het opeisen van rechten ingewikkeld is, gezien de relatieve machtsongelijkheid ten opzichte van de opdrachtgever.6 De kwalificatieproblematiek, waar het rechtsvermoeden feitelijk betrekking op heeft, vormt geen onderdeel van deze studie (zie paragraaf 1.2.3 en 1.2.4). Toch laat ik dit voorstel omtrent de tariefgrens kort de revue passeren, omdat dit voorstel ertoe zou kunnen leiden dat de opdrachtgever ervoor kiest alleen (nog) zaken te doen met opdrachtnemers die minimaal de tariefgrens in rekening brengen.7 Vanuit de opdrachtgever bezien is het praktische voordeel daarvan dat bij een kwalificatiegeschil de opdrachtnemer zou moeten bewijzen dat hij werknemer is in plaats van dat het rechtsvermoeden zijn werking doet en de opdrachtgever de bewijslast draagt dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het voorgaande zou meebrengen dat het tarief van de opdrachtnemer omhoog wordt geduwd als neveneffect van het rechtsvermoeden.8 Van een daadwerkelijk recht van de opdrachtnemer op een bepaald minimumtarief kan niet worden gesproken. Een dergelijk recht kan wel voortkomen uit de twee instrumenten die hierna centraal staan: de standaardregeling en de cao.