Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/2.3.2.5
2.3.2.5 Onderlinge analyse van de voorstellen en mogelijkheden
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855408:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De regering lijkt zich hier wel van bewust. Zij kiest er namelijk niet voor in wetgeving op te nemen welke elementen moeten worden meegenomen bij de vaststelling van het tarief, maar gaat uit van het overeengekomen bruto tarief en laat een verdere invulling over aan de civiele rechtsgang (Kamerstukken II 2021/22, 31 311, 246, p. 20-21). Mocht zo’n tariefgrens overigens praktisch en juridisch haalbaar blijken, dan kan de koppeling tussen een bepaald recht (zoals in dit geval het rechtsvermoeden) en een tariefgrens ter inspiratie dienen voor eventuele (wettelijke of rechterlijke) afbakeningen. Zo kan een bepaalde (administratie)verplichting worden ingevoerd die alleen geldt voor de relatie tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer die onder de tariefgrens zit en dus niet – in tegenstelling tot de Wmz – voor alle opdrachtnemers, inclusief de opdrachtnemers die evident (ruim) boven de tariefgrens verdienen. Een soortgelijke figuur kent de Arbeidstijdenwet, die niet van toepassing is op werknemers die op jaarlijkse basis ten minste drie keer het minimumloon verdienen (art. 2:1:1 Arbeidstijdenbesluit). Ook kan een tariefgrens mogelijk interessant zijn in de zoektocht naar een juiste balans tussen bescherming en contractsvrijheid. Ik denk dan aan een eventuele toekomstige wetswijzing die als doel heeft (een deel van de) opdrachtnemers te beschermen, waarbij wettelijk wordt bepaald dat contractuele afwijkingen ten nadele van de opdrachtnemer alleen mogelijk zijn indien de opdrachtnemer ten minste een bepaald tarief verdient. Met een dergelijke vorm van semi-dwingend recht zou worden voorkomen dat de bescherming van de opdrachtnemer die beperkte onderhandelingsmacht heeft – wat meestal uitmondt in een laag tarief en daarom wordt gekoppeld aan een tariefgrens – kan worden ‘weggecontracteerd’ door de (verondersteld sterkere) opdrachtgever. Ik ben mij ervan bewust dat hierdoor rechtsonzekerheid kan ontstaan, want wat als de opdrachtnemer toch meer uren kwijt is aan de opdracht dan vooraf ingeschat en zijn beloning daardoor (net) onder de tariefgrens komt? Is de contractuele afwijking in zo’n geval nietig (art. 3:40 lid 1 BW), dan wel vernietigbaar (art. 3:40 lid 2 BW)? Of blijft die afspraak geldig als voorafgaand aan de opdracht een ureninschatting is gemaakt en de opdrachtgever daarop gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen? Deze (rechtspolitieke) vragen vergen nader onderzoek.
Bij de te bespreken verschillen is geen volledigheid beoogd. Een verschil waar ik bijv. niet op inga, zijn de bindingsverschillen, welke verschillen door een avv gelijk kunnen worden getrokken. Een ge-avv’de cao lijkt qua stijlfiguur dan ook op de standaardregeling.
Dat is afhankelijk van het feit of de cao-bepaling een standaard- (geen afwijking mogelijk) of minimumkarakter (afwijking ten voordele van de opdrachtnemer mogelijk) draagt.
Daarmee bedoel ik zowel de uitzonderingen op het kartelverbod als het niet-handhaven van dit verbod door de EC en ACM (zie par. 2.3.2.4).
Daarbij merk ik op dat het aangaan van een cao allereerst wel mogelijk moet zijn. Als dat het geval is, moeten cao-partijen ook nog bereid zijn een minimumtarief voor opdrachtnemers af te spreken.
De opdrachtnemer valt onder de WML als hij de overeenkomst van opdracht ‘buiten de uitoefening van bedrijf of buiten de zelfstandige uitoefening van beroep’ is aangegaan (artikel 2 lid 2 aanhef en sub b WML) (zie paragraaf 2.3.1). Vanwege het stijgende aantal opdrachtnemers dat in armoede leefde en de ongewenste concurrentie op beloning tussen zowel opdrachtnemers onderling als tussen opdrachtnemers en werknemers, was de regering met de Wmz voornemens een minimumtarief voor alle opdrachtnemers te introduceren (zie paragraaf 2.3.2.1). Deze wetgeving in formele zin stuitte op grote administratieve lasten, onduidelijkheid, geen draagvlak, onuitvoerbaar en niet handhaafbaar. Om die reden is de Wmz uiteindelijk nooit ingediend en is een minimumtarief voor opdrachtnemers niet ingevoerd. Ook de tariefgrens omtrent het rechtsvermoeden van werknemerschap biedt de opdrachtnemer aan de onderkant niet de zekerheid van een minimumtarief (zie paragraaf 2.3.2.2), nog afgezien van de vraag of het implementeren van zo’n tariefgrens (praktisch en juridisch) wel realiseerbaar is, nu de hoogte van het tarief – net als bij de Wmz – een cruciale rol inneemt.1
Om voorgaande redenen heb ik mijn blik verbreed tot gedelegeerde wetgeving en bekeken of de standaardregeling (artikel 6:214 BW) of cao een (hoger) minimumtarief voor de opdrachtnemer aan de onderkant kan verwezenlijken (zie paragraaf 2.3.2.3 respectievelijk paragraaf 2.3.2.4). Deze instrumenten delen een aantal gemeenschappelijke voor- en nadelen ten opzichte van wetgeving in formele zin. Voorbeelden van voordelen zijn dat afgevaardigden van de bedrijfstak of beroepsgroep aan de onderhandelingstafel zitten en de kans daardoor groter is dat de regels in lijn zijn met de wensen uit de praktijk. Verder kan in zowel een standaardregeling als een cao een (hoger) minimumloon worden afgesproken, voldoet zo’n prijsafspraak door de specifieke reikwijdte eerder en hoeft bij beide niet het gehele wetgevingstraject doorlopen te worden. Als nadeel valt te denken aan het lastig identificeren van de groepen opdrachtgevers en opdrachtnemers in het kader van de representativiteit en de onduidelijkheid die heerst over de geldigheid van een prijsafspraak voor opdrachtnemers in het licht van de verkeersvrijheden. Daarnaast kan worden gedacht aan het feit dat de bescherming die voortvloeit uit de standaardregeling of cao, zich niet kan uitslaan over alle opdrachtnemers, maar per bedrijfstak of beroepsgroep apart moet worden geregeld.
De twee instrumenten kennen uiteraard ook verschillen.2 Zo openbaart zich een verschil in het karakter van de bepaling: van een cao-bepaling kan in zijn geheel niet of alleen ten voordele van de opdrachtnemer worden afgeweken,3 terwijl van bepalingen uit een standaardregeling contractueel kan worden afgeweken, waarmee de bescherming van de opdrachtnemer aan de onderkant relatief eenvoudig kan worden ‘weggecontracteerd’. Een cao-prijsafspraak biedt de opdrachtnemer aan de onderkant in dit opzicht dus meer bescherming. In verband met het kartelverbod staat het bedingen van een minimumtarief in een cao echter niet altijd open. Hoewel dat voor opdrachtnemers aan de onderkant doorgaans wel het geval lijkt te zijn sinds de aangenomen richtsnoeren,4 kan de situatie zich voordoen dat in de praktijk niet wordt onderhandeld over een minimumtarief voor opdrachtnemers. Als de regering dit graag anders zou willen zien voor een bepaalde bedrijfstak of beroepsgroep, kan de minister van Justitie en Veiligheid dit proces proberen te sturen door een commissie te benoemen met als doel te komen tot een standaardregeling. Om voornoemde redenen zou het mij niet verbazen als in de toekomst beide instrumenten in het kader van een minimumtarief voor de opdrachtnemer niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk naast elkaar voorkomen.5