De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer
Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/2.3.2:2.3.2 Enkele (wetsgevings)voorstellen en instrumenten ten aanzien van een minimumtarief
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/2.3.2
2.3.2 Enkele (wetsgevings)voorstellen en instrumenten ten aanzien van een minimumtarief
Documentgegevens:
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855390:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een voorbeeld van een initiatief dat niet ter sprake komt, is de rechtspositie van een deel van de opdrachtnemers te versterken door de Waadi van toepassing te verklaren (Kamerstukken II 2019/20, 31 311, 235, p. 17). Na onderzoek bleek dat een dergelijke oplossing niet voor de hand lag (Kamerstukken II 2020/21, 29 544, 1028, p. 16).
Zie voor mijn uitgebreide en kritische reactie op dit conceptwetsvoorstel Van der Neut 2019.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Door de jaren heen zijn in het kader van een minimumtarief voor alle of een grotere groep opdrachtnemers verschillende voorstellen gedaan of onderzocht. Het schiet het doel van dit onderzoek voorbij al deze initiatieven uit te werken. Ik beperk mij tot twee voorstellen (Wmz en SER-MLT-advies) en twee instrumenten (standaardregeling en cao).1 De keuze om deze voorstellen en instrumenten te bespreken, zal ik hierna toelichten.
Het eerste voorstel betreft het conceptwetsvoorstel Wet minimumbeloning zelfstandigen (Wmz) uit 2019. De Wmz, waarin werd voorgesteld de opdrachtnemer een minimumtarief van € 16 per uur te geven, is uiteindelijk niet verder uitgewerkt. Toch is dit voorstel het bespreken waard, omdat hieruit lessen kunnen worden getrokken voor eventuele toekomstige wetgeving(sinitiatieven). Bovendien is de Wmz exemplarisch voor de complexiteit van het maken van regelgeving voor opdrachtnemers op dit gebied en misschien zelfs wel in bredere zin. Om voorgaande redenen bespreek ik het conceptwetsvoorstel niet op detailniveau,2 maar slechts de hoofdlijnen van het voorstel en de redenen waarom het nooit tot een indiening is gekomen (paragraaf 2.3.2.1).3
Het tweede voorstel is een rechtsvermoeden van werknemerschap bij een tariefgrens, wat de SER in 2021 heeft aanbevolen en waar de politiek vervolgens mee aan de slag is gegaan. Hoewel dit rechtsvermoeden verband houdt met de kwalificatieproblematiek en dit onderwerp buiten het bestek van dit onderzoek valt (zie paragraaf 1.2.3 en 1.2.4), kan deze tariefgrens ook buiten die problematiek relevant zijn, namelijk door het tarief van de opdrachtnemer mogelijk te doen stijgen (paragraaf 2.3.2.2).
De twee instrumenten waarin een (hoger) minimumtarief voor opdrachtnemers kan worden geregeld en waar ik aandacht aan zal besteden, zijn de standaardregeling als bedoeld in artikel 6:214 BW (paragraaf 2.3.2.3) en de cao (paragraaf 2.3.2.4). Beide instrumenten zijn een vorm van gedelegeerde wetgeving en hebben een breder bereik dan alleen het thema loon, maar ik behandel ze bij dit thema vanwege de status quowaarin de uitbreiding van het minimumloon naar een grotere groep opdrachtnemers zich momenteel bevindt. Ik rond paragraaf 2.3.2 af met een onderlinge analyse van de besproken voorstellen en instrumenten (paragraaf 2.3.2.5).
2.3.2.1 Wet minimumbeloning zelfstandigen2.3.2.2 Het tarief als grens2.3.2.3 De standaardregeling als mogelijkheid voor een minimumtarief (artikel 6:214 BW)2.3.2.4 De cao als mogelijkheid voor een minimumtarief2.3.2.5 Onderlinge analyse van de voorstellen en mogelijkheden