Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.3.2.3
7.3.2.3 Grensgevallen
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS620293:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4828, waarin de HR het beroep op strafvermindering wegens vormfouten bij de aanhouding (gebeten door diensthond, gevolgd door drie vuistslagen in gezicht) ontoereikend gemotiveerd verworpen oordeelde. Iets minder duidelijk is HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8856, NJ 2005/301 waarin AG Vellinga meende dat het ter terechtzitting herhaalde beroep op onrechtmatigheid van de aanhouding – buiten heterdaad door ander dan een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar – moest afstuiten op het gesloten rechtsmiddelenstelsel, terwijl HR oordeelde dat het verweer niet voldeed aan de ex art. 359a Sv te stellen eisen.
Dat laatste gebeurde bijvoorbeeld in HR NJ 2001/587 met de stelling dat verdachte bij aanhouding de reden daarvoor niet in een voor hem begrijpelijke taal was meegedeeld.
In sommige gevallen kan worden getwijfeld tot welke categorie een verzuim naar zijn aard behoort. Gaat het om een verzuim waarop alleen bij de RC of de raadkamer een beroep kan worden gedaan, of kan het ook aan de zittingsrechter worden voorgelegd? Die vraag rijst vooral bij vormverzuimen die niet tot niet-ontvankelijkheid of bewijsuitsluiting kunnen leiden (deze behoren immers tot cat. ii), maar waaraan de RC de invrijheidstelling zou kunnen verbinden en de zittingsrechter mogelijkerwijs met strafvermindering zou kunnen reageren.
De rechtspraak van de Hoge Raad laat naar mijn indruk zien dat hij in dergelijke grensgevallen vaak de verdachte het volle pond geeft, met dien verstande dat hij ook de zittingsrechter een taak toedicht bij de beoordeling van een beroep op een dergelijk vormverzuim. In HR 21 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR5092, NJ 2005/172 m.nt. Reijntjes werd ter terechtzitting een beroep gedaan op strafvermindering wegens een disproportioneel hardhandige aanhouding, in een geval waarin de RC daarin volgens het verweer al aanleiding had gezien om de voorlopige hechtenis te schorsen. Desalniettemin stond aan dit beroep op strafvermindering het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet in de weg.1
Vormfouten die mogelijk raken aan het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM staan steeds ter beoordeling van de zittingsrechter. Voor het overige geldt globaal dat ook andere serieuze inbreuken op gewichtige (door art. 8 EVRM beschermde) belangen van de verdachte met aanwijsbaar nadeel dat zich niet oplost via art. 89 Sv (schadevergoeding voor ondergaan voorarrest) of 27 Sr (aftrek voorarrest van opgelegde straf) en dat niet evident onder de hiervoor genoemde categorie (i) valt, met een beroep op strafvermindering aan de zittingsrechter kunnen worden voorgelegd. Een beroep op minder wezenlijke vormfouten waar enig tastbaar nadeel voor de verdachte ontbreekt, laat de Hoge Raad daarentegen wel eens verdwijnen onder de mat van het gesloten stelsel.2