Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/3.4.4.1
3.4.4.1 Aansprakelijkheidsvereisten
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655687:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over Section 12(a)(2) Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.6; Loss, Seligman & Paredes 2018, p. 1749-1782. Zie hierover in de Nederlandse literatuur reeds De Jong 2010, p. 91-93; Nederveen 2006, p. 155-157.
Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.7.
Voor een overzicht van de desbetreffende lagere rechtspraak verwijs ik naar Vizcarrondo & Wilson 2016, p. 50, voetnoten 171 en 172.
Zie hierover onder meer Vizcarrondo &Wilson 2016, p. 49-50. Zie hierover in de Nederlandse literatuur reeds Nederveen 2006, p. 155-156.
Nederveen 2006, p. 155.
Zie Vizcarrondo & Wilson 2016, p. 49. Zie ook Nederveen 2006, p. 155.
Nederveen 2006, p. 155.
Idem.
Zie Pinter v. Dahl, 486 U.S. 622, 647 (1988)
SEC Securities Offering Reform, Securities Act Release No. 8591, Exchange Act Release No. 52,056, Investment Company Act Release No. 26,993, Fed. Sec. L. Rep. ¶ 87,421 (Dec. 1, 2005); 17 C.F.R. § 230.159A.
Nederveen 2006, p. 155-156.
Voor aansprakelijkheid op grond van Section 12(a)(2) is overigens ook nog vereist dat (de belegger aantoont dat) bij het aanbieden en/of verkopen van de litigieuze effecten gebruik is gemaakt van ‘any means or instruments of transportation or communication in interstate commerce or of the mails’.
Hazen merkt in dit verband op dat zowel uit de tekst van de wet als uit de rechtspraak van de Supreme Court – Gustafson v. Alloyd Co., 513 U.S. 561, 576 (1995) – blijkt dat reliance geen voorwaarde is om met succes een vordering in te stellen op grond van Section 12(a)(2). Zie Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.6[1]. Zie in dit verband ook Loss, Seligman & Paredes 2018, p. 1755-1758.
Het aanbieden en/of verkopen van effecten waarbij gebruik wordt gemaakt van misleidende informatie kan tevens leiden tot aansprakelijkheid uit hoofde van Section 12(a)(2) Securities Act. Op grond van deze bepaling is iedere persoon die met behulp van (mondelinge of schriftelijke) misleidende mededelingen (waarbij in de eerste plaats kan worden gedacht aan een misleidend prospectus) effecten heeft aangeboden en/of verkocht, aansprakelijk jegens de koper van deze effecten.1
Evenals geldt voor aansprakelijkheid op grond van Section 12(a)(1), geldt ook voor aansprakelijkheid op grond van Section 12(a)(2) het vereiste van privity.2 Dit betekent dat de benadeelde belegger in beginsel alleen een vordering uit hoofde van Section 12(a)(2) kan instellen tegen de persoon of rechtspersoon van wie hij de litigieuze effecten (direct) heeft gekocht. In de context van Section 12(a)(1) oordeelde de Supreme Court in Pinter v. Dahl in dit verband dat alleen degene die in de litigieuze transactie is opgetreden als onmiddellijke en directe verkoper kan worden beschouwd als ‘seller’ in de zin van Section 12(a)(1) en dus alleen deze persoon uit dien hoofde aansprakelijk kan worden gesteld.3 Hoewel de Supreme Court zich daar nog nooit expliciet over heeft uitgelaten, wordt in de lagere rechtspraak ervan uitgegaan dat deze uitleg van het begrip ‘seller’ ook van toepassing is in het kader van (aansprakelijkheid op grond van) Section 12(a)(2).4
Gegeven het vereiste van privity werkte tot eind 2005 de wettelijke regeling aldus uit, dat het in beginsel niet mogelijk was om uit hoofde van Section 12(a)(2) met succes een vordering tegen de effectenuitgevende instelling in te stellen.5 In de praktijk worden de aangeboden effecten namelijk meestal door de underwriter(s) (op grond van een zogenoemde ‘underwriting agreement’) van de uitgevende instelling overgenomen en deze worden vervolgens door tussenkomst van dealers aan de man gebracht.6 Er is in dat geval geen sprake van een koopovereenkomst tussen de belegger en de uitgevende instelling, zodat de uitgevende instelling niet met succes op grond van Section 12(a)(2) aansprakelijk kon worden gesteld.7 Om dezelfde reden kan doorgaans ook de underwriter niet op deze grond aansprakelijk worden gesteld.8 De underwriter verkoopt de effecten meestal door aan dealers, die op hun beurt de effecten weer verspreiden onder het beleggende publiek.9 Alleen in de situatie waarin de underwriter direct betrokken is bij de onderhandelingen die uiteindelijk resulteren in de aankoop van de litigieuze effecten door de belegger, kan zij eventueel met succes aansprakelijk worden gesteld.10
Het voorgaande is per 1 december 2005 in zoverre gewijzigd, dat als gevolg van de zogenoemde ‘Securities Offering Reform’ ook de uitgevende instelling, ongeacht de wijze waarop de emissie is geconstrueerd en de relatie met de underwriter(s) is vormgegeven, voor de toepassing van Section 12(a)(2) als ‘seller’ wordt aangemerkt.11 Dit betekent dat de benadeelde belegger thans ook een vordering tegen de uitgevende instelling kan instellen, ongeacht of hij zijn effecten (direct) van de uitgevende instelling heeft verkregen.12
Voor aansprakelijkheid uit hoofde van Section 12(a)(2) is verder vereist dat de belegger aantoont dat sprake was van een misleidende mededeling of omissie ten aanzien van een material fact.13,14 Dit vereiste heeft hier in beginsel geen andere betekenis dan bij aansprakelijkheid uit hoofde van Section 11 Securities Act of SEC Rule 10b-5. Reliance is daarentegen geen vereiste voor het aannemen van aansprakelijkheid op grond van Section 12(a)(2). Althans, wanneer de eisende belegger eenmaal heeft aangetoond dat de litigieuze mededeling of omissie material was, hoeft hij niet tevens reliance aan te tonen.15