Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders bij preventieve herstructureringen (VDHI nr. 163) 2020/2.3.5
2.3.5 Aandeelhouder als principaal
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, datum 02-02-2020
- Datum
02-02-2020
- Auteur
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen
- JCDI
JCDI:ADS197727:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Jensen & Meckling 1976. Overigens wordt in de Engelse literatuur de term managers genoemd, wat ik vrij vertaal naar de term ‘bestuurders’. Voor dit onderzoek is de belangrijkste principaal-agent verhouding in ondernemingsrechtelijke zin de verhouding tussen aandeelhouders (de principaal) en bestuurders (de agent). Daarnaast bestaat, in ondernemingsrechtelijke zin, de verhouding tussen aandeelhouders met een meerderheidsbelang en aandeelhouders met een minderheidsbelang en de verhouding tussen de onderneming en derden, zie Kraakman e.a. 2009, p. 2.
Zie o.a. Jensen & Meckling 1976 en Kraakman e.a. 2009, hfst. 2.
Lan & Heracleous 2010, p. 299.
Du Plessis e.a. 2012, p. 8.
Fontrodona & Sison 2006, p. 35 en Jerzemowska 2006, p. 11.
Kraakman e.a. 2009, p. 35.
Dit is ook wel een kritiekpunt op de theorie, aangezien ervan uit wordt gegaan dat bestuurders slechts handelen in hun eigen belang, zie Keay 2015, p. 72 e.v.
Zie ook Hill & Jones 1992, p. 132 en Nyberg e.a. 2010. Zie Kraakman e.a. 2009, hfst. 2 voor een verdere uiteenzetting van agency-problemen.
Jerzemowska 2006, p. 11-12. Zie hierover uitgebreid: Nyberg e.a. 2010.
Saam 2007, p. 828. In Duitsland is onder meer om die reden de Aufsichtsrat opgericht, zie Brink (red.) 2011, p. xii. Zie verder Kroeze 2005, p. 311-315 en Kemp 2015, p. 73.
Kemp 2015, p. 73.
Jensen & Meckling 1976.
Evenzo De Jongh 2011, par. 2.2.2. De theorie gaat uit van een nexus of contracts, ofwel de contractuele leer: de vennootschap is een samenwerkingsverband gebaseerd op contractuele verhoudingen. Zie hierover bijv. Jensen & Meckling 1976. In Nederland is de thans heersende leer de institutionele leer: de vennootschap is een zelfstandige eenheid/zelfstandig instituut, zie Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/30.
O.a. Lan & Heracleous 2010, p. 295 en De Jongh 2014, par. 187.
De derde rechtseconomische kwalificatie hangt nauw samen met die als eigenaar of residual claimant. In deze benadering worden de aandeelhouders als principalen aangemerkt en de bestuurders van de vennootschap als agenten.1 De verhouding principaal-agent houdt, kort gezegd, in dat de principaal voor de behartiging van zijn belangen afhankelijk is van het handelen van een andere partij, de agent.2 De principaal en de agent hebben uiteenlopende belangen en mede door informatieasymmetrie is het voor de principaal lastig na te gaan of de agent handelt overeenkomstig de belangen van de principaal. Het reduceren van dit probleem kan met hoge kosten gepaard gaan.3
Aandeelhouders zijn, volgens de theorie, afhankelijk van de bestuurders door de scheiding van eigendom en controle.4 Aandeelhouders, volgens dezelfde theorie de eigenaren van de vennootschap, streven doorgaans naar waardemaximalisatie van hun aandelen.5 Zij zijn immers – wederom volgens de theorie – de residual claimants. Problemen in de verhouding principaal-agent ontstaan wanneer de agent zich meer bezig houdt met de behartiging van zijn eigen belangen dan met de belangen van de principaal.6 Bestuurders streven niet altijd de belangen van de aandeelhouders na.7
Aandeelhouders kunnen volgens de theorie het risico dat het bestuur niet in hun belang handelt en de daarmee gepaard gaande kosten, beperken door passende prikkels voor bestuurders te creëren en het bestuur te controleren.8 Een voorbeeld van een passende prikkel voor bestuurders is hen belonen met aandelen of andere (variabele) (financiële) beloningen die afhankelijk zijn van hun prestaties.9 Dit brengt de belangen van bestuurders meer op één lijn met de belangen van de aandeelhouders. Voorts kunnen aandeelhouders met zeggenschapsrechten het bestuur controleren. Onder meer het stemrecht, goedkeuringsrechten en het recht om bestuurders te ontslaan, zijn rechten waarmee aandeelhouders ervoor kunnen zorgen dat het bestuur hun belangen zo goed en efficiënt mogelijk behartigt.10 Vanuit rechtseconomisch perspectief verklaart de verhouding tussen aandeelhouders als principaal en de bestuurders als agent en de daaruit voorvloeiende problemen waarom aandeelhouders zeggenschapsrechten hebben.11
De principaal-agent theorie is ontstaan in de Anglo-Amerikaanse ondernemingsrechtelijke cultuur en is mede gestoeld op de shareholder-benadering.12 In die zin is de theorie minder toepasbaar in Nederland aangezien het bestuur van een vennootschap hier meer belangen dient af te wegen dan slechts die van de aandeelhouders.13 De vennootschap zelf is eerder aan te merken als de principaal en het bestuur dient zich als agent naar het belang van de gehele vennootschap te richten.14