Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.8.4.9.1
9.8.4.9.1 Wet Toelating Zorginstellingen
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS378200:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dit geldt enkel voor zorginstellingen waar minstens 50 werknemers werkzaam zijn en die de rechtsvorm van een stichting of vereniging hebben. De invoering van art. 6.2 WTZi past binnen de ontwikkelingen op het gebied van (corporate) governance in de zorgsector, waarin zich veelvuldig problemen omtrent goed bestuur en toezicht hebben voorgedaan. ZieKamerstukken I 2005-2006, 27 659, nr. K (Verslag van een schriftelijk overleg), p. 10.
Van der Kamp en Rutgers (2014), p. 4.
Zie De Mol in nr. 1-2 van zijn noot bij OK 19 april 2013, JOR 2013/206 (Stichting Ilmarinen). Zie ook Kamerstukken II 2009-2010, 32 402, nr. 3 (MvT), p. 66.
Van der Kamp en Rutgers (2014), p. 3.
Kamerstukken II 2012-2013, 32 402, nr. 12 (Derde NvW). De naamswijziging en de inhoudelijke wijzigingen van het oorspronkelijke wetsvoorstel Wcz zijn geregeld in deze derde nota van wijziging, zie p. 18 e.v.
Kamerstukken II 2012-2013, 32 402, nr. 12 (Derde NvW), p. 17.
Wet van 7 oktober 2015, houdende regels ter bevordering van de kwaliteit van zorg en de behandeling van klachten en geschillen in de zorg (Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg)Stb. 2015, 407.
Kamerstukken II 2012-2013, 32 402, nr. 12 (Derde NvW), p. 18.
Kamerstukken II 2017-2018, 34 858, nr. 2 (Wv), p. 6 (art. 11).
Kamerstukken II 2017-2018, 34 858, nr. 3 (MvT), p. 63-64.
Art 6.2 van het Uitvoeringsbesluit WTZi bepaalt dat de zorgaanbieder aan een orgaan dat de cliënten vertegenwoordigt in zijn statuten de bevoegdheid moet toekennen tot het indienen van een enquêteverzoek. Deze verplichting geldt thans alleen voor de zorgaanbieder die de rechtsvorm van vereniging of stichting als bedoeld art. 2:344 BW heeft (waarvoor ingevolge de wet een ondernemingsraad moet worden ingesteld en dus ten minste 50 werknemers werkzaam zijn).
Kamerstukken II 2017-2018, 34 858, nr. 3 (MvT), p. 63.
OK 28 april 2010, JOR 2010/187 m.nt. Verburg (Centrale cliëntenraad Stichting Zorgcentra De Betuwe) en OK 20 mei 2010, JOR 2010/188 m.nt. Verburg (Centrale cliëntenraad Stichting Sherpa).
OK 19 april 2013, JOR 2013/206 m.nt. De Mol (Stichting Ilmarinen).
OK 19 april 2013, JOR 2013/206 m.nt. De Mol (Stichting Ilmarinen), r.o. 3.2.
Zie De Mol in nr. 16 van zijn noot bij OK 19 april 2013, JOR 2013/206 (Stichting Ilmarinen).
OK 29 oktober 2014, ARO 2014/183 (Stichting Zuwe Hofpoort Ziekenhuis) en OK 3 juni 2015 ARO 2015/158 (Stichting Sint Maartenskliniek).
OK 29 oktober 2014, ARO 2014/183 (Stichting Zuwe Hofpoort Ziekenhuis), r.o. 3.8.
OK 3 juni 2015 ARO 2015/158 (Stichting Sint Maartenskliniek), r.o. 3.6. Zie voorts OK 15 juli 2016, ARO 2017/1 (Stichting Zorgorganisatie Niko), waarin de OK een beroep op niet- ontvankelijkheid van het enquêteverzoek van de cliëntenraad afwijst. De cliëntenraad is op grond van de statuten van Stichting Zorgorganisatie Niko enquêtebevoegd.
In § 9.8.4.1 bespreek ik de mogelijke waarborgen tegen (de vrees voor) lichtvaardige enquêteverzoeken van de ondernemingsraad.
Voor de toekenning van een wettelijk enquêterecht aan de ondernemingsraad pleit dat het aantal enquêtegerechtigden de afgelopen jaren is uitgebreid met andere medezeggenschapsorganen binnen de zorg- en corporatiesector. Zo moeten stichtingen en verenigingen in de zorg sinds 2006 op grond van art. 6.2 Uitvoeringsbesluit WTZi in hun statuten aan een orgaan dat de cliënten van de instellingen vertegenwoordigt de enquêtebevoegdheid toekennen.1 De zorginstelling mag de enquêtebevoegdheid ook aan anderen toekennen. Zorginstellingen kennen het enquêterecht veelal toe aan de cliëntenraad, die verplicht gesteld is op grond van de Wmcz.2 Er zijn ook zorginstellingen die de enquêtebevoegdheid in de statuten toekennen aan (soms niet bij naam genoemde) belangenorganisaties. In de praktijk is derhalve niet altijd duidelijk welk orgaan bevoegd is om een enquêteverzoek in te dienen. Daarnaast hebben sommige zorgaanbieders in de statuten drempels opgenomen in de vorm van zodanige cumulatieve voorwaarden, dat het indienen van een enquêteverzoek nagenoeg onmogelijk is voor cliënten.3
Met het wetsvoorstel Wet cliëntenrechtenzorg (Wcz), die onder meer de WTZi en Wmcz zou vervangen, wil de minister voornoemde knelpunten oplossen. Voor de Wcz blijkt echter weinig steun te zijn onder Rutte II, reden waarom de minister in maart 2013 besluit dat de Wcz niet in de huidige vorm zal worden voorgezet maar wordt opgedeeld in vier nieuwe wetsvoorstellen.4 Het wetsvoorstel Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) is het eerste deel van de voortzetting van het Wcz.5 Uit de derde nota van wijziging Wcz volgt dat de Wkkgz slechts ziet op de onderwerpen klachten en geschillen, kwaliteit van zorg en meldingen.6 De Wkkgz is op 1 januari 2016 in werking getreden.7 Uit de derde nota van wijziging Wcz blijkt voorts dat de onderwerpen van het oorspronkelijke wetsvoorstel Wcz die zien op cliёntenrechten, medezeggenschap en governance, alsmede het intrekken van de WTZi, niet zijn opgenomen in de Wkkgz. Deze onderwerpen worden op een later moment opgenomen in afzonderlijke wetsvoorstellen. Onder deze onderwerpen valt ook het enquêterecht.8
Inmiddels ligt ook het tweede deel van de voortzetting, het wetsvoorstel Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 (Wmcz 2018), bij de Tweede Kamer. In dit wetsvoorstel vervalt de statutaire grondslag en krijgt de cliëntenraad rechtstreeks enquêtebevoegdheid op grond van de wet, ongeacht de rechtsvorm van de zorgaanbieder.9 In de statuten kunnen dus geen beperkingen van dat enquêterecht worden opgenomen. Op deze manier is duidelijk dat in ieder geval de cliëntenraad van de eigen instelling bevoegd is om een enquêteverzoek in te dienen. Cliëntenraden mogen voorts niet afhankelijk zijn van de medewerking van de zorgaanbieder bij het indienen van een enquêteverzoek. In het wetsvoorstel is daarom opgenomen dat zij recht hebben op voldoende budget ten laste van de zorgaanbieder. Het budget moet de cliëntenraad in elk geval in staat stellen om zich te laten bijstaan door een advocaat.10
Vermeldingswaardig is verder dat in art. 11 lid 1 wetsvoorstel Wmcz 2018, anders dan art. 6.2 Uitvoeringsbesluit WTZi, besloten ligt dat rechtspersonen met minder dan vijftig werknemers niet langer zijn uitgezonderd van het enquêterecht.11 Art. 11 lid 1 wetsvoorstel Wmcz 2018 spreekt over “een rechtspersoon is als bedoeld in artikel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek”. Art. 11 lid 1 wetsvoorstel Wmcz 2018 is dus een lex specialis van art. 2:334 BW. Het doel hiervan is voorkomen dat de ene cliëntenraad (in een organisatie waar minder dan vijftig mensen werken) geen enquêterecht krijgt en de andere (in een organisatie waar vijftig of meer mensen werken) wel. Ook een vrijwillig ingestelde cliëntenraad, bij een zorgaanbieder die in de regel niet door meer dan 10 personen zorg doet verlenen, heeft enquêterecht.12
Hoe dat zij, tot de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Wmcz 2018 geldt art. 6.2 Uitvoeringsbesluit WTZi onverkort voor de enquêtebevoegdheid van het cliëntenvertegenwoordigende orgaan bij stichtingen of verenigingen in de zorg. Cliëntenraden maken tot op heden weinig gebruik van het enquêterecht. In 2010 dienen twee cliëntenraden een enquêteverzoek in op grond van het Uitvoeringsbesluit WTZi.13 De OK acht beide enquêteverzoeken in het belang van de desbetreffende zorginstelling en wijst tweemaal een onderzoek toe. Tevens kiest zij ervoor om in beide zaken met een onmiddellijke voorzienig in te grijpen in de samenstelling van de RvT, om zo te komen tot een herstel van de gezonde verhoudingen.
Na deze korte opleving van cliëntenraad-activisme is het drie jaren stil. In 2013 start de cliëntenraad van Stichting Ilmarinen de derde WTZi-enquêteprocedure.14 De cliëntenraad vraagt de OK om te oordelen over zijn geschil met (voornamelijk) het bestuur van de stichting. In haar beschikking staat de OK stil bij de ontvankelijkheid van de cliëntenraad. Ilmarinen verweert zich namelijk met de stelling dat de cliëntenraad niet ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat de cliëntenraad een kleine twee maanden na de indiening van het enquêteverzoek ophoudt te bestaan in zijn huidige vorm. De OK oordeelt dat de cliëntenraad op grond van de statuten van Ilmarinen bevoegd is een enquêteverzoek in te dienen. Ook indien door opzegging van de samenwerkingsovereenkomst de samenstelling van de cliëntenraad verandert, brengt dat volgens de OK niet mee dat de cliëntenraad geen belang heeft bij zijn verzoek of anderszins niet ontvankelijk is.15 De OK overweegt vervolgens dat op een aantal punten sprake is van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen, maar wijst het enquêteverzoek toch af. Haar materiële beoordeling in deze zaak is evengoed van belang. De OK laat zien dat met een WTZi-enquêteprocedure de zorginstelling niet zomaar belast wordt met een kostbaar onderzoek of ingrijpende onmiddellijke voorzieningen.16 Zij sluit haar beschikking af met de opmerking dat een onderzoek onder meer niet geraden is onder verwijzing naar de financiële positie van Ilmarinen.
In 2014 en 2015 volgen de vierde en vijfde WTZi-enquêteprocedure.17 In de zaak Stichting Zuwe Hofpoort Ziekenhuis is op basis van art. 6.2 Uitvoeringsbesluit WTZi in de statuten de enquêtebevoegdheid toegekend aan de cliëntenraad. De cliëntenraad dient een enqueteverzoek in omdat het ziekenhuis volgens hem handelt in strijd met art. 3 Wmcz en de Zorgbrede Governance code door in het kader van een lopend fusietraject met een ander ziekenhuis het adviesrecht van de cliëntenraad stelselmatig te negeren. De OK wijst het enquêteverzoek ook in deze zaak af. Zij overweegt dat aan de rechten van de cliëntenraad niet tekort is gedaan, althans niet zodanig dat dit gegronde redenen oplevert om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen.18
In de zaak Stichting Sint Maartenskliniek is het enquêterecht op basis van art. 6.2 Uitvoeringsbesluit WTZi niet toegekend aan de cliëntenraad, maar aan de Stichting Zorgbelang Gelderland (Zorgbelang). Tussen de Stichting Sint Maartenskliniek (SMK) en Zorgbelang bestaat een ‘overeenkomst enquêterecht’. Deze overeenkomst bepaalt dat Zorgbelang geen enquêteverzoek kan indienen over aangelegenheden die op grond van de Wmcz in de patiëntenadviesraden van SMK in behandeling zijn of binnen afzienbare tijd in behandeling worden genomen. Zorgbelang dient een enquêteverzoek in nadat zij hiertoe door de patiëntenraden (PAR) is verzocht. Zorgbelang meent kort gezegd dat SMK haar verplichtingen jegens PAR uit de Wmcz niet nakomt, waardoor de verhouding tussen PAR en het bestuur van SMK zodanig is verstoord dat PAR de belangen van de patiënten van SMK niet goed meer kan vertegenwoordigen. De ontvankelijk van Zorgbelang staat in deze beschikking niet ter discussie. De OK wijst het enqueteverzoek wederom af. De stagnatie van de medezeggenschap kan onder de gegeven omstandigheden, in het bijzonder gelet op de initiatieven van het bestuur van SMK om afspraken te maken over de wijze van samenwerking, niet leiden tot het oordeel dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid van SMK. Volgens de OK is de stagnatie met name te wijten aan de onwrikbare houding van (de voorzitter van) de PAR.19
De laatste drie beschikkingen bevestigen mijn eerder geuite vermoeden dat de toewijzingseis van het enquêterecht – de gegronde redenen – werkt als filter tegen een enquêteverzoek van een medezeggenschapsorgaan dat niet in het belang van de rechtspersoon is.20