Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/4.3.2
4.3.2 Samenhangende verbintenissen over en weer uit de als eenheid bedoelde of te beschouwen rechtsverhouding
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950311:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 4.2.2.
Zie ook § 2.7.1.
HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4907, NJ 2012/91 (Euretco/Naeije), r.o. 3.5.3.
Zie ook § 4.2.2.
Zie anders Zippro 2012, die het arrest bespreekt als een geval van samenhangende overeenkomsten en niet als een geval van dezelfde rechtsverhouding (zie ook § 4.2.2, voetnoot 71). Zie ook bijv. Rb. Amsterdam 21 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:8074, r.o. 4.15, waarin de rechtbank kennelijk uitgaat van de omstandigheid dat de verbintenissen over en weer voortvloeien uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan, maar waarbij zij ‘dezelfde rechtsverhouding’ ook betrekt en in haar oordeel een als eenheid bedoelde of te beschouwen rechtsverhouding doorklinkt.
Zie § 4.2.2.
Rb. Amsterdam 24 juli 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:5425, r.o. 4.17.
Rb. Gelderland 27 november 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:5072, r.o. 4.2.
Hetgeen ook niet vereist is, omdat het een van de omstandigheden is waarop kan worden gelet (zie § 4.2.2).
R.o. 2.14, zoals geciteerd in de conclusie van A-G D.W.F. Verkade, ECLI:NL:PHR:2004:AO5116, bij HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5116, JOL 2004/304 (Inexco Nederland/P.W. Holding), par. 3.14.
De klacht is weergegeven in par. 5.1 van de conclusie van A-G D.W.F. Verkade van 4 juni 2004 (ECLI:NL:PHR:2004:AO5116) en besproken in par. 5.41 (“Ik meen dat het hof hierbij van de juiste, uit art. 6:52 BW voortvloeiende, maatstaf is uitgegaan.”). Zie voor het arrest HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5116, JOL 2004/304 (Inexco Nederland/P.W. Holding), r.o. 3.
Rb. Noord-Nederland 3 september 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:5857, r.o. 4.6, 4.16 en 4.18.
HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:459, RvdW 2017/372 (woning in de Loosdrechtse Plassen), r.o. 5.2.2.
Zie ook § 4.2.2 en § 4.3.1.
Zie over deze omstandigheid § 4.4.
Tussen wederzijdse verbintenissen die niet dezelfde juridische grondslag hebben, kan niettemin de voor dezelfde rechtsverhouding vereiste voldoende nauwe samenhang bestaan, als deze voortvloeien uit een door partijen als eenheid bedoelde of uit een als eenheid te beschouwen rechtsverhouding. Of daarvan sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval.1 Uit de gepubliceerde rechtspraak is mij een aantal gevallen bekend waarin een dergelijke rechtsverhouding zich voordeed. Deze gevallen volgen hierna ter illustratie en bij wijze van opsomming. In onderdeel f. behandel ik een voorbeeld van een geval waarin geen sprake was van dezelfde rechtsverhouding.
a. Het arrest Euretco/Naeije verdient in dit verband een uitvoerigere bespreking. Naeije had haar aandelen in MKB verkocht aan Euretco voor een koopprijs van € 2,7 miljoen op 13 oktober 2004. De notariële leveringsakte bevatte een zogenoemde ‘balansgarantie’ ten aanzien van de jaarcijfers van MKB over 2003. De betaling van de koopsom was omgezet in een geldlening. In de notariële leveringsakte heeft Euretco erkend € 2,7 miljoen wegens geldlening aan Naeije verschuldigd te zijn. De voorwaarden voor de geldlening waren vastgelegd in een aan de notariële leveringsakte gehechte onderhandse akte van geldlening van eveneens 13 oktober 2004. Op basis van die geldleningsovereenkomst was Euretco jaarlijks 5% rente verschuldigd, te betalen in maandelijkse termijnen achteraf. Tevens was Euretco gehouden de lening in drie jaarlijkse termijnen van € 900.000 af te lossen, voor het eerst op 1 april 2005. In de geldleningsovereenkomst waren partijen een zogenoemde ‘aanpassingsclausule’ en ‘opschortingsclausule’ overeengekomen. De aanpassingsclausule hield in dat wanneer zou blijken dat de balansgarantie was geschonden, de daaruit voortvloeiende correctie van de koopprijs in redelijkheid in onderling overleg, dan wel in een arbitrageprocedure, zou worden bepaald. Naeije zou vervolgens Euretco voor het bedrag dat met die correctie zou zijn gemoeid, kwijten op het geleende bedrag. Op grond van de opschortingsclausule was Euretco gerechtigd de jaarlijkse aflossing van € 900.000 op te schorten als zij geheel of gedeeltelijk niet in staat zou zijn die te voldoen in verband met tussen partijen overeengekomen omstandigheden.
Naar aanleiding van een door een derde (een potentiële koper van de aandelen) gegeven opdracht tot duediligence onderzoek, hebben Euretco en Naeije op 23 februari 2005 gesproken over een neerwaartse aanpassing van de koopsom van de door Euretco van Naeije gekochte aandelen tot € 500.000, maar overeenstemming werd niet bereikt. Voordat het duediligence onderzoek was afgerond, schortte Euretco op 30 maart 2005 met een beroep op de opschortingsclausule haar verbintenis tot betaling van de eerste aflossingstermijn op. Bij brief van 1 april 2005 sommeerde Naeije Euretco tot betaling binnen zeven dagen van de verschuldigde rentetermijnen over de maanden februari en maart 2005. Ondanks deze sommatie betaalde Euretco de rentetermijnen niet. Daarom ontbond Naeije bij brief van 12 april 2005 de geldleningsovereenkomst. Later bepaalden deskundigen de waarde van de aandelen van Naeije in MKB per ultimo 2014 op € 110.400.
Naeije vorderde een verklaring voor recht dat de geldleningsovereenkomst was ontbonden, alsook veroordeling van Euretco tot ongedaanmaking van hetgeen zij uit hoofde van die overeenkomst had ontvangen en tot schadevergoeding op te maken bij staat. Euretco verweerde zich met de stelling dat zij haar verplichting tot betaling van de verschuldigde rentetermijnen bevoegd had opgeschort, omdat Naeije wanprestatie pleegde ter zake de afgegeven balansgarantie en daarom op grond van de aanpassingsclausule gehouden was mee te werken aan een verlaging van de koopprijs. Aldus was de vraag aan de orde of Euretco haar verplichting tot betaling van de verschuldigde rente bevoegd had opgeschort, omdat in dat geval geen sprake zou zijn van een tekortkoming van Euretco die Naeije op grond van artikel 6:265 BW bevoegd zou maken tot ontbinding.2
Het hof stelde eerst vast dat niet in geschil was dat Euretco op grond van de opschortingsclausule gerechtigd was haar verplichting tot betaling van de eerste aflossingstermijn van € 900.000 op te schorten. Vervolgens overwoog het hof dat die clausule geen betrekking had op opschorting van de rentetermijnen. Het hof verwierp het opschortingsverweer van Euretco door in de kern genomen te overwegen dat de door Naeije onder de balansgarantie uit de notariële leveringsakte gepleegde wanprestatie aan Euretco niet de bevoegdheid gaf haar verplichting tot betaling van de rentetermijnen onder de geldleningsovereenkomst op te schorten. Terecht klaagde Euretco in cassatie onder meer dat het hof de ‘onmiskenbare samenhang’ tussen de koopovereenkomst, leveringsakte en geldleningsovereenkomst heeft miskend. De Hoge Raad overwoog onder andere dat ‘[r]eeds de (…) vaststaande feiten wijzen op een zodanig nauwe samenhang tussen enerzijds de verplichtingen van Naeije uit hoofde van de balansgarantie en de aanpassingsclausule en anderzijds de verplichting van Euretco tot betaling van de rentetermijnen, dat onbegrijpelijk is het oordeel dat Euretco niet op grond van de (gestelde) wanprestatie van Naeije bevoegd zou zijn tot opschorting van de rentetermijnen’.3
De feiten waarop de Hoge Raad lette, zijn de hiervoor beschreven feiten. Deze hebben betrekking op de inhoud van de verschillende rechtshandelingen tussen partijen (koopsom omgezet in lening, lening erkent in de leveringsakte, levering van aandelen ten titel van de koop), de onderlinge afhankelijkheid en afstemming daarvan, die mede blijkt uit de formuleringen in de akten (rechtsgevolgen wanprestatie onder de koop mede geregeld in de leningsovereenkomst en vice versa), en de wijze (geldleningsovereenkomst gehecht aan de leveringsakte) en het tijdstip van totstandkoming van deze rechtshandelingen (koop en lening van dezelfde datum).4 Hoewel de Hoge Raad dat niet met zoveel woorden overwoog, denk ik te kunnen concluderen dat in dit geval de verbintenissen over en weer voortvloeiden uit dezelfde rechtsverhouding als bedoeld in artikel 6:52 lid 2 BW.5 Uit de overwegingen van de Hoge Raad blijkt dat tussen de verbintenissen over en weer de voor dezelfde rechtsverhouding vereiste voldoende nauwe samenhang bestaat.
b. Het tijdstip van totstandkoming van de rechtshandelingen waaruit de verbintenissen over en weer voortvloeien, is een mee te wegen omstandigheid bij de beoordeling of sprake is van een door partijen als eenheid bedoelde of van een als eenheid te beschouwen rechtsverhouding.6 Tijdsverloop tussen deze rechtshandelingen behoeft niet te leiden tot de conclusie dat zij niet een dergelijke eenheid vormen, als uit de oorzaak van dit tijdsverloop niet zonder meer volgt dat partijen bedoeld hebben van elkaar afzonderlijk te houden rechtshandelingen te verrichten of dat deze als zodanig dienen te worden beschouwd. Zo kunnen tussen de momenten van totstandkoming van twee afzonderlijke overeenkomsten enkele maanden zijn verstreken, zonder dat dit tot de conclusie behoeft te leiden dat tussen de verbintenissen uit hoofde daarvan geen samenhang zou bestaan, zoals aan de orde is in een geval dat door rechtbank te Amsterdam is beoordeeld. Verhaag schortte zijn verbintenis uit hoofde van een ‘drukpersovereenkomst’ op in verband met zijn vordering op Manroland uit hoofde van een eveneens tussen partijen bestaande ‘CTP- en leveringsovereenkomst’. De rechtbank oordeelde dat tussen de drukpers en de CTP nauwe samenhang bestaat, omdat de CTP alleen in combinatie met de drukpers aanvullende waarde had voor Verhaag. Daarnaast zijn de overeenkomsten afzonderlijke overeenkomsten, omdat deze tot stand zijn gekomen met twee verschillende afdelingen binnen Manroland, waaraan een lang voorbereidingsproces vooraf is gegaan. Vervolgens oordeelde de rechtbank dat het feit dat tussen de overeenkomsten enkele maanden zat tegen de gegeven achtergrond geen argument opleverde dat er geen sprake was van voldoende samenhang tussen de verbintenissen over en weer om opschorting te rechtvaardigen. Daarbij woog de rechtbank mee dat partijen op een eerder moment aanleiding hebben gehad om problemen met vorderingen gelijk aan die als in de procedure aan de orde, tezamen hebben opgelost in een akkoord.7
c. Een ander voorbeeld van een geval waarin de inhoud van de rechtshandelingen en de onderlinge afstemming daarvan hebben geleid tot de conclusie dat aan het samenhangcriterium is voldaan, ondanks een tijdsverloop van bijna twee jaren tussen de momenten van totstandkoming van de rechtshandelingen, is beoordeeld door de Rechtbank Gelderland. Tussen partijen is op 26 juni 2015 een koopovereenkomst betreffende een perceel grond tot stand gekomen. Op basis van deze overeenkomst was de verkoper verplicht een mandelige weg op de juiste hoogte aan te leggen. Op 14 april 2017 sloten partijen een tweede koopovereenkomst, betreffende een perceel cultuurgrond. Koper schortte zijn medewerking aan de levering van dit perceel cultuurgrond op in verband met zijn vordering tot ophoging van de mandelige weg op zijn verkoper. De rechtbank oordeelde dat tussen deze verbintenissen over en weer voldoende samenhang bestaat om de opschorting te rechtvaardigen, gelet op de omstandigheden dat in de eerste koopovereenkomst een eerste koopoptie voor het perceel cultuurgrond was opgenomen en in de tweede koopovereenkomst nadere afspraken waren opgenomen over zowel de mandelige weg, die onderdeel is van de eerste koopovereenkomst, als over het met die eerste overeenkomst gekochte perceel grond. Tevens hebben partijen in de tweede koopovereenkomst afgesproken de eerste koopovereenkomst te respecteren.8 De rechtbank ging niet nader in op het genoemde tijdsverloop.9
d. Het hof oordeelde dat een uit hoofde van een vaststellingsovereenkomst bestaande verbintenis tot heronderhandeling over de tarieven en voorwaarden in een tussen partijen gesloten en voortdurende vervoersovereenkomst ‘zozeer samenhing’ met de vervoersverplichtingen uit hoofde van die vervoersovereenkomst, dat opschorting van deze verplichtingen gerechtvaardigd was.10 De daartegen gerichte klacht heeft de Hoge Raad met een beroep op artikel 81 lid 1 RO verworpen.11
e. Rechtbank Noord-Holland kwam in een geval waarin tussen partijen drie overeenkomsten bestonden tot het oordeel dat de daaruit voortvloeiende verbintenissen over en weer, voor zover die ten grondslag lagen aan het opschortingsverweer, onlosmakelijk met elkaar waren verbonden. Koper kocht van een gemeente een woonboerderij met onder andere een bijbehorende mestsilo. Bij de levering bleek deze silo niet volledig leeg te zijn, hetgeen in strijd was met de gemaakte afspraken. In verband daarmee hebben partijen op de dag van de levering een depotovereenkomst gesloten, op basis waarvan de bij de levering betrokken notaris een gedeelte van de koopsom onder zich zou houden. Nadien is het partijen gebleken dat het uitrijden van de mest niet eerder kon dan per 1 maart 2017. Tussen de koper en de gemeente is omstreeks eind augustus dan wel begin september 2016 mondeling afgesproken dat de gemeente iedere maand, tot aan de leging van de mestsilo, een bepaalde vergoeding aan koper zou betalen. Uiteindelijk is de mestsilo in 2018 geleegd. In conventie is in geschil of de gemeente is gehouden tot betaling van een vergoeding over de periode na 1 maart 2017. In reconventie schortte de koper zijn medewerking aan de vrijgave van het in depot gehouden bedrag op, totdat de gemeente de in conventie bedoelde vergoeding zou hebben betaald. Nadat de kantonrechter in conventie had geoordeeld dat ‘de [mondelinge] afspraak niet los [kan] worden gezien van het feit dat de mestsilo niet leeg was ten tijde van de levering aan [koper] en de naar aanleiding daarvan gesloten depotovereenkomst’ en de gemeente tot betaling gehouden is, honoreerde hij in reconventie het opschortingsverweer van de koper op grond van artikel 6:52 BW.12
f. Een geval waarin de verbintenissen over en weer niet voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding, ondanks daartoe aangedragen stellingen van de schuldenaar, doet zich voor in het arrest dat gaat over een opdrachtgever die zijn aannemer opdracht gaf tot het realiseren van een kelder onder zijn te bouwen woning, die aan drie zijden in de Loosdrechtse Plassen zou komen te staan en aan één zijde aan de landzijde zou grenzen. Voorts heeft hij deze aannemer opdracht gegeven steigers rond de woning aan te leggen. In de kelder is lekkage opgetreden. In conventie vorderde de opdrachtgever onder meer een verklaring voor recht dat de aannemer vanwege de lekkage is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis tot realisatie van een waterdichte kelder onder de aannemingsovereenkomst en een voorschot op schadevergoeding. In reconventie vorderde de aannemer betaling van de eindfactuur voor de realisatie van de steigers. De opdrachtgever voerde daartegen een opschortingsverweer in verband met zijn vorderingen in conventie. Het hof honoreerde het opschortingsverweer niet en dat oordeel liet de Hoge Raad in stand:
“Wel heeft [opdrachtgever] in hoger beroep gesteld dat de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding (art. 6:52 lid 2 BW), omdat alle door [aannemer] uitgevoerde werkzaamheden betrekking hebben op een en hetzelfde project, kort gezegd de aanleg van de gehele onderbouw (damwand, fundering, kelder en kelderdek), het botenhuis en van alle andere waterbouwkundige werkzaamheden, en dat binnen dat project als meerwerk tevens de aanleg van de steigers rond de woning is opgedragen. Door [aannemer] is echter betwist dat sprake was van meerwerk, waartoe zij heeft aangevoerd dat de bouw van de steigers een aparte opdracht was en ook niet nodig was voor de bouw van de kelder, en dat de offerte voor de steigers pas is getekend nadat de vloer en wanden van de kelder gereed waren gekomen en dat het steigerwerk volgens die offerte zou beginnen ‘gelijk na het gereedkomen van de kelderbak’. (…) het hof [heeft] vanwege die betwisting niet (…) aanvaard dat sprake was van meerwerk, en voorts (…) geoordeeld dat [opdrachtgever] voor het overige onvoldoende heeft toegelicht waaruit de samenhang bestaat tussen de vorderingen. Dat oordeel, dat is verweven met waarderingen van feitelijke aard, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, (…); het is voorts in het licht van het partijdebat niet onbegrijpelijk.”13
De bouw van de kelder en van de steigers betroffen afzonderlijke opdrachten, die een verschillend werk betroffen. De steigerbouw was geen meerwerk, maar een nieuwe opdracht. Het ging om verbintenissen over en weer met een verschillende juridische grondslag.14 Voor het overige waren deze aannemingsovereenkomsten niet onderling afhankelijk of afgestemd. Uit de meegewogen omstandigheid dat het steigerwerk na het gereedkomen van de kelderbak zou beginnen, zou zelfs een tegendeel kunnen worden afgeleid. Mogelijk dat sprake zou kunnen zijn geweest van een geval van regelmatig zaken met elkaar hebben gedaan (art. 6:52 lid 2 BW), maar die omstandigheid is kennelijk niet gesteld.15
Tussen wederzijdse verbintenissen die niet dezelfde juridische grondslag hebben, kan niettemin de voor dezelfde rechtsverhouding vereiste voldoende nauwe samenhang bestaan, als deze voortvloeien uit een door partijen als eenheid bedoelde of uit een als eenheid te beschouwen rechtsverhouding. Of daarvan sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval. Tussen verbintenissen die niet dezelfde oorsprong hebben, maar die wel voortvloeien uit een door partijen als eenheid bedoelde of uit een als eenheid te beschouwen rechtsverhouding kan voldoende samenhang bestaan om opschorting te rechtvaardigen. Voor het antwoord op de vraag of in deze omstandigheid is voldaan aan het samenhangcriterium lijkt niet van belang of de verbintenissen gegrond zijn op een benoemde of bijzondere overeenkomst, dan wel op een onbenoemde of sui generis overeenkomst. De in deze paragraaf behandelde rechtspraak vormt daarvan een illustratie.