Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/3.2.2
3.2.2 Pre-jaren 70: Wetsuitvoering en rechtshandhaving
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661389:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Brunger en Veldman 2011, p. 9 en 12; Doorlichting algemene beleidsdoelstelling Belastingdienst 2010, p. 26.
Adviescommissie overheidsbeleid inzake voorlichting (commissie-Heuven Goedhart) (1946), p. 38.
Vgl. Brunger en Veldman 2011, p. 22; Sprenger 2016, p. 159; Van den Heuvel 2018, p. 15 haalt een citaat aan van Antal waarin naar voren komt dat belastingplichtigen zich vaak machteloos voelen tegenover de Belastingdienst vanwege onduidelijke begrippen en onduidelijk taalgebruik.
Pfeil 2009, p. 403.
Pfeil 2009, p. 403. Vgl. Scholten 1971 over de voorlichting op televisie bij de invoering van de BTW, die overigens ‘daarna nog niet of nauwelijks door andere activiteiten is gevolgd’.
Beleidsdoorlichting Dienstverlening Belastingdienst 2015, par. 2.3.
Zie bijv. HR 20 oktober 1965, nr. 15 455, BNB 1966/3; HR 4 juni 1969, nr. 16 140, BNB 1969/214 over het aan een toelichting te ontlenen vertrouwen.
Brunger en Veldman 2011, p. 9 en 12.
Schut 1974, par. A.
Lange tijd is van een voorlichtende taak zoals die vandaag de dag bekend is van de Belastingdienst, nog geen sprake. Van oudsher – zo liet eerder onderzoek zien – presenteerde de Belastingdienst zich als een gezaghebbende autoriteit, een gesloten overheidsorganisatie, die in een hiërarchische relatie staat tot belastingplichtigen.1 Illustratief in dat verband is dat volgens de Adviescommissie overheidsbeleid inzake voorlichting (commissie-Heuven Goedhart) net na de Tweede Wereldoorlog nog geen vrijwillige medewerking van burgers nodig werd geacht voor het op tijd betalen van de inkomstenbelasting.2 Voorlichting aan het publiek of begrijpelijke communicatie met belastingplichtigen is in die tijd nog geen thema binnen de Belastingdienst.3
Wel zijn in de jaren 60 al enkele ‘groene sprietjes’ op het communicatievlak te zien, die illustreren dat de Belastingdienst reeds toen op zichzelf wel het nut van voorlichting inzag.4 Zo beschrijft Pfeil dat de Belastingdienst diverse voorlichtingsactiviteiten opzette rond de invoering van de herziene motorrijtuigenbelasting in 1966 en de BTW in 1969.5 Ook worden in de jaren 60 op de Inspecties der Belastingen de eerste ‘voorlichtingsbureaus’ opgericht, waar burgers terecht kunnen met fiscale vragen.6 Bovendien verstrekte de Belastingdienst toelichtingen bij het aangiftebiljet.7 Dit betekent echter nog niet dat voorlichting aan burgers hoog op de agenda staat. Leidende begrippen zijn ‘rechtvaardigheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid’: het doel van de Belastingdienst was duidelijk (heffen en innen van belastingen) en ‘de manier van werken ook’ (de belastingwet als ‘enig criterium’).8 Illustratief in dit verband is de terugblik van Schut uit 1974 op de vroegere periode:
‘Bracht de vroegere opvatting mee, dat een ambtenaar kon volstaan met de toepassing van de wetten, in de nieuwe opvatting van de verhouding van overheid en burgers dient de ambtenaar tevens de burger, ten aanzien van wie hij de wet toepast, behulpzaam te zijn bij de nakoming van diens wettelijke verplichtingen. In de oude opvatting van de overheidstaak was voor deze behulpzaamheid geen plaats. De burger kon gebruik maken van zijn wettelijke bevoegdheden zo hij ze al kende. Maakte hij er geen gebruik van dan was dat zijn zaak. In deze visie was de belastingadministratie niet verplicht om andere inlichtingen te geven dan die, welke de wet haar voorschreef. Zij kon er mee volstaan achteraf de feiten te constateren, welke tot belastingheffing leiden, en de daaruit voortvloeiende belasting te heffen.’9
Kortom, in deze periode was het aan de burger zelf om de wet te kennen (en zo niet, ‘pech’). De wet was leidend en de Belastingdienst had geen algemeen erkende taak om het publiek over die wet voor te lichten.