Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17:17 Toepassing dimensies op EU-kader
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17
17 Toepassing dimensies op EU-kader
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS459451:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het navolgende zullen de eerder ontwikkelde dimensies van het vertrouwensbeginsel in beschouwing worden genomen met het oog op de samenwerking in de EU. Telkens zal daarbij de centrale vraag zijn hoe deze dimensies zich verhouden tot enerzijds het institutionele kader van de EU en de vertrouwensagenda zoals die in respectievelijk hoofdstuk 14 en 15 zijn besproken en anderzijds de concrete maatregelen tot samenwerking die in hoofdstuk 16 zijn uitgewerkt. Uitgangspunt daarbij is het huidige institutionele kader van de EU, dat wel zeggen zoals dat na de inwerkingtreding op 1 december 2009 van het Verdrag van Lissabon is neergelegd in het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Daarnaast is al een groot aantal instrumenten in werking en voorgesteld, die de klassieke rechtshulpinstrumenten in EU-verband aanvullen of zelfs vervangen.
De vraag naar de verhouding tussen de dimensies van het vertrouwensbeginsel enerzijds en het institutionele kader van de EU, de vertrouwensagenda en de concrete instrumenten van samenwerking anderzijds, kent twee kanten.
Ten eerste kan steeds de vraag worden gesteld wat de min of meer feitelijke invloed is van bijvoorbeeld een onderdeel van het institutionele kader of de vertrouwensagenda op een bepaalde dimensie van het vertrouwensbeginsel. Hoe versterkt bijvoorbeeld een richtlijn die de verdachte toegang biedt tot een raadsman het vertrouwen bij bijvoorbeeld overlevering van die verdachte? Het gaat bij het institutionele kader en de vertrouwensagenda in beginsel om maatregelen of normen die vertrouwen genereren.
Ten tweede, en voor een deel daaruit voortvloeiend, luidt de vraag welke consequenties dat dan heeft voor de normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel – simpel uitgedrukt: een beperking van de toetsingsruimte in een concreet geval van samenwerking – benaderd vanuit een bepaalde dimensie van dat beginsel. Kan bijvoorbeeld, vanwege de werking van een bepaalde minimumharmonisatie van waarborgen, bijvoorbeeld tegen verstekveroordelingen, toetsing van bijvoorbeeld overlevering na een verstekveroordeling achterwege blijven? Als dat zo is, kan ook een weigeringsgrond op dat punt achterwege blijven en impliceert het samenwerkingsinstrument in zoverre vertrouwen.
De invloed van – met name – het institutionele kader en de vertrouwensagenda op de dimensies van het vertrouwensbeginsel kan in abstracto op twee verschillende manieren zichtbaar worden.
Ten eerste kan het vertrouwen in zijn aard gelijk blijven, het blijft bijvoorbeeld gaan om vertrouwen op een bewering, maar wel aan kracht winnen, bijvoorbeeld doordat binnen de EU sterker toezicht plaatsvindt of op bepaalde punten sterkere waarborgen gelden. Uiteraard kan een bepaalde vorm van vertrouwen ook aan kracht inboeten, al zou dat niet zonder meer overeenkomen met het uitgangspunt van samenwerking binnen de EU, te weten een groter vertrouwen tussen lidstaten onderling.
Ten tweede kan een verschuiving of wijziging optreden waarbij een onderdeel van een bepaalde dimensie in de plaats komt van een ander onderdeel van die dimensie: waar in het klassieke verdragsrecht sprake was van vertrouwen op bijvoorbeeld een bewering kan daar in de EU vertrouwen op een verplichting voor in de plaats komen.
Dit onderscheid zal in het navolgende zo veel als mogelijk leidraad zijn bij de bespreking van de verscheidene dimensies tegen de achtergrond van het EU-recht.
17.1 De functie van het vertrouwen: principieel, praktisch, ordenend17.2 De juridische grondslag van het vertrouwen: verdragen17.3 De chronologie van het vertrouwen: retrospectief en prospectief17.4 Het object van het vertrouwen: gedragingen, beweringen, verplichtingen17.5 De verwachting bij het vertrouwen: inspanning en resultaat17.6 De ratio van het voorschrift dat in het geding is17.7 De betrokken staat17.8 De invloed van mensenrechtelijke normen