Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/14
14 Het institutionele kader van de strafrechtelijke samenwerking in de Europese Unie
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS456977:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie met name de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, Trb. 1995, 110, de Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, Trb. 1996, 304 en de Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, Trb. 2000, 96.
Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (2002/584/JBZ), PbEG 2002, L 190/1. Het kaderbesluit is voor Nederland omgezet met de Overleveringswet (Wet van 29 april 2004 tot implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (Overleveringswet), Stb. 2004, 195, i.w.tr. 12 mei 2004).
Europese Raad van Tampere 15 en 16 oktober 1999, Conclusies van het voorzitterschap.
Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend te Lissabon, 13 december 2007, PbEU 2007, C306/1, Trb. 2008, 11.
In het navolgende zullen enkel die kenmerken van het huidige institutionele kader van de Europese Unie worden besproken, die voor deze studie van belang zijn. Zie voor een uitgebreidere bespreking van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht: R. Barents, Het Verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (serie Europa in beeld, deel 1), Deventer: Kluwer 2008, p. 595 e.v.; P. Craig, The Lisbon Treaty. Law, Politics, and Treaty Reform, Oxford: Oxford University Press 2010, p. 331 e.v.; en J.-C. Piris, The Lisbon Treaty. A Legal and Political Analysis (serie Cambridge studies in European law and policy), Cambridge: Cambridge University Press 2010, p. 167 e.v.
Zie m.n. het welbekende arrest-Cassis de Dijon, HvJ EG 20 februari 1979, 120/78, Jur. 1979, p. 649.
J.W. Ouwerkerk, Quid Pro Quo? A comparative law perspective on the mutual recognition of judicial decisions in criminal matters (diss. Tilburg), Cambridge, Antwerpen, Portland: Intersentia 2011.
W. van Ballegooij, The Nature of Mutual Recognition in European Law, Re-examining the notion from an individual rights perspective with a view to its further development in the criminal justice area (diss. Maastricht), Antwerpen: Intersentia 2015.
Ch. Janssens, The Principle of Mutual Recognition in EU Law, Oxford: Oxford University Press 2013.
De strafrechtelijke samenwerking in strafzaken binnen de EU was tot de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon ondergebracht in de zogenoemde derde pijler. Vóór de totstandkoming van de derde pijler vond ook al samenwerking plaats. Die vormen van samenwerking hadden weliswaar een enigszins hybride karakter en konden niet louter intergouvernementeel genoemd worden,1 maar zijn vrij beperkt in omvang en bereik gebleven. In enkele gevallen zijn die rechtshulpinstrumenten nooit of niet volledig in werking getreden. Bovendien waren het hooguit verfijningen van het klassiek- volkenrechtelijke systeem dat al bestond. Met het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel2 is in 2002 een aanvang genomen met een eigen systeem van samenwerking binnen de EU. Dat valt grotendeels samen met en vloeide voort uit de introductie van het beginsel van wederzijdse erkenning als hoeksteen van die samenwerking in Tampere.3 Dit alles vond tot de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon4 plaats binnen de zogenoemde derde pijler. Belangrijk aspect van de besluitvorming in die derde pijler was het vereiste van consensus. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is de voormalige derde pijler gecommunautariseerd.5 In het navolgende staat louter het huidige institutionele kader centraal. Voor de onderhavige studie is het niet noodzakelijk het vroegere institutionele kader, met de derde pijler waarin JBZ-samenwerking plaats vond, verder uit te diepen. Evenmin zal aandacht worden besteed aan de geschiedenis van het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat beginsel is in eerste instantie tot ontwikkeling gekomen in het EG-recht betreffende de interne markt,6 waarna het ook zijn ingang heeft gevonden op strafrechtelijk terrein. Voor een bespreking van de ontwikkeling van het beginsel van wederzijdse erkenning vanuit het EG-recht naar het JBZ-terrein zij verwezen naar de dissertaties van Ouwerkerk,7 Van Ballegooij8 en Janssens.9
De communautarisering van de JBZ-samenwerking na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon heeft vooral gevolgen gehad voor de besluitvormingsprocedure en de bevoegdheden van het Hof van Justitie. Maar ook anderszins zijn wijzigingen te constateren in het institutionele kader van dit beleidsgebied. De belangrijkste bepalingen zijn voortaan te vinden in Titel V van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die de Ruimte van Vrijheid, Veiligheid en Recht betreft.
Het is met het oog op de werking van vertrouwensbeginsel noodzakelijk dit institutionele kader te schetsen. In deel II van dit boek bleek dat de werking van diverse dimensies van het vertrouwensbeginsel in belangrijke mate samenhangt met het volkenrechtelijk kader waarbinnen in klassiek verband strafrechtelijk wordt samengewerkt door staten. Zo bleek de verdragsrechtelijke grondslag van de samenwerking, de vraag waartoe staten over en weer volkenrechtelijk gehouden zijn, de vraag met welke concrete staat en kring van staten wordt samengewerkt en de toepasselijkheid van een (verdragsrechtelijk) mensenrechtelijk kader alsmede rechterlijk toezicht daarop uitermate relevant te zijn. Voor dat kader is in wezen het kader van de EU in de plaats gekomen. Veel volkenrechtelijke karakteristieken van de klassieke samenwerking zijn nu vervangen door institutionele karakteristieken van de Unie. Voor een goed begrip van de werking van het vertrouwensbeginsel op de strafrechtelijke samenwerking binnen de EU, mede door toepassing van de eerder besproken dimensies op die samenwerking, is een schets van het institutionele kader van de EU onmisbaar.
14.1 De grondslag voor en doelstelling van het strafrechtelijk beleid van de EU14.2 De gebieden van strafrechtelijke samenwerking in de EU14.3 De instrumenten voor strafrechtelijke samenwerking in de EU14.4 De toepasselijke wetgevingsprocedure14.5 De rol van nationale parlementen en subsidiariteit14.6 De rol van het Hof van Justitie14.7 Fundamentele rechten in de EU14.8 Lidmaatschap van de Unie14.9 Sancties14.10 Vrijwillige terugtrekking14.11 Opt-outs14.12 Nauwere samenwerking14.13 Conclusie