Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.8.b
3.8.b IVBPR II: Spaanse cassatie als illustratie
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS604688:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
CRM 20 juli 2000, nr. 701/1996, FED 2000, p. 2823-2829, m.nt. Feteris (Gómez Vázquez/ Spanje).
CRM 20 juli 2000, nr. 701/1996 (Gómez Vázquez/Spanje).
Zie CRM 20 juli 2003, nr. 986/2001 (Semey/Spanje); CRM 7 augustus 2003, nr. 1007/2001, (Sineiro Fernández/Spanje); CRM 1 november 2004, nr. 1101/2002 (Alba Cabriada/Spanje); CRM 29 maart 2005, nr. 1104/2002 (Martínez Fernández/Spanje); CRM 19 oktober 2009, nr. 1363/2005 (Gayoso Marténez/Spanje); en CRM 22 juli 2009, nr. 1364/2005 (Carpintero Uclés/Spanje); hierbij is relevant, maar niet doorslaggevend, hoe de cassatierechter zijn eigen toetsing kenmerkt, zie bijv. CRM 1 november 2004, nr. 1101/2002 (Alba Cabriada/ Spanje); CRM 7 augustus 2003, nr. 1007/2001 (Sineiro Fernández/Spanje); CRM 25 juli 2005, nr. 1389/2005 (Bertelli Gálvez/Spanje).
Aldus samengevat in CRM 22 juli 2009, nr. 1364/2005 (Carpintero Uclés/Spanje).
CRM 28 maart 2006, nr. 1156/2003 (Pérez Escolar/Spanje).
Zie ook Bachmaier & Del Moral Garciá 2010, p. 45-46 & 302-303.
CRM 28 maart 2006, nr. 1156/2003 (Pérez Escolar/Spanje).
CRM 30 oktober 2008, nr. 1489/2006 (Rodríguez Rodríguez/Spanje); zie ook CRM 28 maart 2006, nr. 1156/2003 (Pérez Escolar/Spanje), waarin het volgende citaat uit een in 2002 gewezen cassatiearrest is opgenomen: “the remedy of cassation has lost its procedural rigidity and formalism and now provides numerous opportunities for review, including review of the provincial courts’ assessment of evidence”.
CRM 28 oktober 2005, nr. 1059/2002 (Carvallo Villar/Spanje); CRM 27 maart 2006, nr. 1094/2002 (Herrera Sousa/Spanje); CRM 28 maart 2006, nr. 1156/2003 (Pérez Escolar/Spanje); CRM 31 oktober 2006, nr. 1181/2003 (Amador Amador & Amador Amador/Spanje); CRM 25 juli 2006, nr. 1293/2004 (de Dios Prieto/Spanje); CRM 31 oktober 2006, nr. 1305/ 2004 (Villamón Ventura/Spanje); CRM 3 april 2008, nr. 1360/2005 (Oubiña Piñeiro/Spanje); CRM 22 juli 2009, nr. 1366/2005 (Rocco Piscioneri/Spanje); CRM 24 juli 2007, nr. 1370/ 2005 (González Roche & Muñoz Hernández/Spanje); CRM 1 april 2008, nr. 1375/2005 (Subero Beisti/Spanje); CRM 24 juli 2007, nr. 1386/2005 (Gueorguiev/Spanje); CRM 25 juli 2006, nr. 1387/2005 (Oubiña Piñeiro/Spanje II); CRM 19 maart 2009, nr. 1388/2005 (de León Castro/Spanje); CRM 25 juli 2005, nr. 1389/2005 (Bertelli Gálvez/Spanje); CRM 24 juli 2007, nr. 1391/2005 (Rodrigo Alonso/Spanje); CRM 25 juli 2005, nr. 1399/2005 (Cuartero Casado/Spanje); CRM 25 juli 2006, nr. 1441/2005 (Garcá González/Spanje); CRM 27 oktober 2009, nr. 1471/2006 (Rodríguez Domínguez & Neira Fernández/Spanje); CRM 3 april 2008, nr. 1360/2005 (Oubiña Piñeiro/Spanje); CRM 30 oktober 2008, nr. 1489/2006 (Rodríguez Rodríguez/Spanje); CRM 20 oktober 2008, nr. 1490/2006 (Pindado Martínez/Spanje); CRM 27 oktober 2009, nr. 1555/2007 (Suils Ramonet/Spanje); CRM 21 juli 2014, nr. 2037/2011 (M.R.R./Spanje); CRM 28 oktober 2014, nr. 2105/2011 (S.S.F., S.S.E. & E.J.S.E./Spanje).
Vgl. met enkele uitgebreide citaten Machielse 2011a, p. 50-52; zie voor uitspraken over andere staten CRM 5 augustus 2002, nr. 829/1998 (Judge/Canada); CRM 30 oktober 2003, nr. 842/1998 (Romanov/Oekraïne); zie voor goedkeuring van de Spaanse cassatie door Straatsburg, EHRM 1 september 2015 (ontv.), nr. 23486/12 (Dorado Baúlde/Spanje).
Exemplarisch voor de eisen die het CRM stelt aan de beschikbaar te stellen review, zijn de veranderingen van de Spaanse cassatie aan het begin van de 21e eeuw. Het begon in 2000 met de zaak Gómez Vázquez/Spanje. De klager is door een rechtbank voor poging tot moord veroordeeld tot twaalf jaren gevangenisstraf.1 Op dat moment liet het Spaanse strafprocesrecht daartegen alleen cassatieberoep toe. Dit cassatieberoep is volgens de klager te mager, omdat de feitelijke vaststellingen van de lagere rechter definitief zijn, geen herwaardering van het bewijs plaatsvindt en bovendien enkel over een beperkt aantal rechtsschendingen kan worden geprocedeerd. Het Comité acht de klacht gegrond en overweegt dat “the lack of any possibility of fully reviewing the author’s conviction and sentence, [as shown by the decision referred to in paragraph 3.2,] the review having been limited to the formal or legal aspects of the conviction, means that the guarantees provided for in article 14, paragraph 5, of the Covenant have not been met”.2 In de door het Comité genoemde rechtsoverweging 3.2 valt te lezen dat de Spaanse cassatierechter in zijn oordeel in de zaak tegen Gómez Vázquez uitdrukkelijk heeft overwogen dat waardering van het bewijs aan de rechter in eerste aanleg is voorbehouden en dat cassatie te zeer op hoger beroep zou gaan lijken indien de cassatierechter dergelijke bewijswaardering zou verrichten.
Deze veroordeling van Spanje stond aan de basis van een stroom van klachten bij het CRM over de Spaanse cassatierechtspraak, die kort na Gómez Vázquez/Spanje vrijwel steeds tot veroordeling van Spanje leidden.3 In de kern ligt aan die veroordelingen ten grondslag dat de cassatietoetsing in Spanje is beperkt tot een beoordeling van de wettigheid van de bewijsconstructie zonder ook de toereikendheid ervan te beoordelen.4
Mede als gevolg van deze reeks veroordelingen is de Spaanse rechtsmiddelenregeling in december 2003 grondig herzien, zo blijkt uit de zaak Pérez Escolar/Spanje.5 Voor bepaalde strafzaken is een beroepsinstantie tussen rechtbank en cassatierechter ingevoegd.6 Ook heeft de Spaanse cassatierechter de intensiteit en reikwijdte van zijn toetsing aanzienlijk uitgebreid.7 In de zaak Rodríguez Rodríguez/Spanje wordt daarover de Spaanse cassatierechter zelf aan het woord gelaten: “Spanish jurisprudence has been transformed by these decisions [Gómez Vázquez/Spanje etc., GP] and has been broadened to an extraordinary degree insofar as the traditional limits of cassation recognized by the Supreme Court prior to the entry into force of the Constitution and the notion of matters of law that can be appealed are concerned. This has been accompanied by a corresponding reduction in questions of fact excluded from the remedy of cassation to those that would require the resubmission of evidence in order to permit its reevaluation. Thus a decision on evidence can be corrected in appeal when the court that heard the case departed from the rules of logic, the axioms of experience or scientific knowledge.”8 De Spaanse cassatierechter heeft de reikwijdte van zijn toetsing dus in zoverre uitgebreid dat thans ook feitelijke beslissingen worden beoordeeld, inclusief de vraag of het bewijs voldoende is om een veroordeling te kunnen rechtvaardigen. Klachten over bewijs worden dus in cassatie in behandeling genomen. Onmogelijk was én is het evenwel om in cassatie nieuw bewijs aan te voeren, maar dat vereist het Comité ook niet.
Deze wending binnen de Spaanse (cassatie)rechtspraak heeft effect gehad. Sinds grofweg 2005 worden er op dit punt nauwelijks meer schendingen vastgesteld.9 Geheel in lijn met General Comment nr. 32 heeft het Comité er vrede mee dat de Spaanse cassatierechter weliswaar niet zelfstandig feitenonderzoek uitvoert, maar wel tot op zekere hoogte (klachten over) het bewijs beoordeelt.10 Voor Nederland lijkt deze rechtspraak op het eerste gezicht niet van groot belang, aangezien cassatie in strafzaken vrijwel nooit openstaat na berechting in eerste aanleg. Maar omdat volgens het CRM het recht op beroep ook van toepassing is als de verdachte voor het eerst in hoger beroep wordt veroordeeld, zijn de beslissingen tegen Spanje onder omstandigheden ook in Nederlandse strafzaken relevant.