Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.20:4.20 Vermogenswaarde tonnagevergunning nihil
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.20
4.20 Vermogenswaarde tonnagevergunning nihil
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS345528:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 maart 1992, nr. 27 461, BNB 1992/184, FED 1992/432 met noot van G.T.K. Meussen.
HR 11 december 1985, nr. 23 159, met conclusie A-G Van Soest, BNB 1987/187.
V-N 1992 blz. 1088.
HR 18 maart 1992, nr. 27 461, FED 1992/432 met noot van G.T.K. Meussen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een vreemde eend in de bijt vormt een arrest van de Hoge Raad van 18 maart 19921 waarbij de begrippen bedrijfswaarde en vermogenswaarde een belangrijke plaats innamen en over een mogelijke samenhang werd beslist. Het ging daarbij om afwaardering van tonnagevergunningen, die in het jaar 1985 van de overheid voor het eerst om niet konden worden verkregen, omdat op dat moment de zogenaamde lonnagestop' was opgeheven. Alhoewel de rentabiliteit van de onderneming goed was, oordeelde de Hoge Raad toch (in navolging van Hof Arnhem) dat de afwaardering van de tonnagevergunningen tot op nihil aanvaardbaar en niet in strijd met goed koopmansgebruik was nu de vermogenswaarde van de vergunningen blijvend verloren was gegaan. Welke betekenis in casu aan het begrip vermogenswaarde moet worden toegekend, is onduidelijk. Moet uit het arrest worden afgeleid dat de begrippen bedrijfswaarde en vermogenswaarde onder omstandigheden aan elkaar gelijk zijn? Opvallend is wel dat de staatssecretaris in zijn beroepschrift in cassatie heeft aangegeven dat het Hof de waarde van de vergunningen ten onrechte heeft vastgesteld buiten het verband van de transportonderneming van belanghebbende. Bovendien heeft volgens hem het Hof een te ruime uitleg gegeven aan het arrest opgenomen in BNB 1987/ 1872. Dit alles gesteld hebbende, mocht het de staatssecretaris in de cassatieprocedure toch niet baten.
De redactie van het Vakstudie Nieuws3 merkt in een aantekening bij het arrest op dat men in redelijkheid niet kan volhouden dat — zolang een onderneming als geheel een adequate winstgevendheid Iaat zien — er geen aanleiding zou kunnen bestaan om aan de afzonderlijke bedrijfsmiddelen een lagere bedrijfswaarde toe te kennen indien het duidelijk is dat een dergelijk bedrijfsmiddel op de markt om niet te verkrijgen is. Net iets te consequent wordt in deze anders luidende visie de onderneming als één geheel gezien. Waaruit bestaat immers de functie van een bedrijfsmiddel dat de concurrent vrij ter beschikking krijgt? Allicht zal bij het ter beschikking komen van het bedrijfsmiddel in kwestie om niet (of tegen een substantieel lagere prijs) de rentabiliteit van de onderneming (die eertijds de volle prijs betaalde) negatief worden beïnvloed. Dit zou volgens de redactie een argument kunnen zijn om bij een zekere prijsval tot een lagere bedrijfswaarde te concluderen.
In een aantekening onder het arrest in het Fiscaal Weekblad FED4 is dezerzijds het volgende opgemerkt: 'De vergunningen stellen de ondernemer slechts in staat om het transportbedrijf als zodanig te exploiteren; de specifieke bedrijfsuitoefening moet daarna voor winstgevendheid zorgen. Het bezit van de vergunningen heeft dan ook na het opheffen van de tonnagestop op zichzelf geen invloed meer op het resultaat. Of anders gezegd, in de nieuwe situatie verkeert een ondernemer die vergunningen bezit niet meer in een duidelijke voorsprongsituatie ten opzichte van ondernemers waarbij dit niet het geval is:
Conclusie: De vermogenswaarde van de vergunningen bedraagt in casu per 31 december 1985 nihil en is de desbetreffende afwaardering in overeenstemming met goed koopmansgebruik. Het is te betreuren dat de Hoge Raad in dit arrest niet expliciet het begrip bedrijfswaarde (tenminste is aan te nemen dat het daarover gaat) noemt maar in plaats daarvan de enigszins onduidelijke term 'vermogenswaarde' gebruikt. Deze terminologie schept verwarring en maakt het niet eenvoudig dit arrest een plaats te geven binnen de gehele problematiek van het begrip bedrijfswaarde.
Anderzijds komt verliesneming in casu niet onredelijk voor en heeft de Hoge Raad kennelijk de behoefte gehad om belanghebbende tegemoet te komen. Vanuit deze gedachtegang is het denkbaar dat ons hoogste rechtscollege kiest voor de term vermogenswaarde om zodoende het begrip bedrijfswaarde niet te bezoedelen. Bovendien is deze wijze van verliesneming bij uitstek een uitvloeisel van het realiteitsbeginsel. Het dient ervoor te worden gehouden dat dit arrest in wezen buiten de bedrijfswaardeproblematiek staat.