Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/5.4.3
5.4.3 Mootness
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233635:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Tribe 2000, p. 344-365; Rotunda en Nowak 2012, p. 272-306, met verdere verwijzingen.
Executive Order No. 13769, Protecting the Nation From Foreign Terrorists Entry into the United States (27 januari 2017), WestLaw 412752.
U.S. District Court (Washington) 3 februari 2017, WestLaw 462040 (Washington v. Trump); U.S. Court of Appeals (9th Circuit) 9 februari 2017, 847 F.3d 1151 (Washington v. Trump).
Executive Order No. 13780, Protecting the Nation From Foreign Terrorists Entry into the United States (6 maart 2017), WestLaw 875616.
U.S. District Court (Maryland) 15 maart 2017, 241 F.Supp.3d 539 (International Refugee Assistance Project v. Trump); U.S. District Court (Hawaii) 29 maart 2017, 245 F.Supp.3d 1227 (Hawaii v. Trump); U.S. Court of Appeals (4th Circuit) 25 mei 2017, 857 F.3d 554 (International Refugee Assistance v. Trump); U.S. Court of Appeals (9th Circuit) 12 juni 2017, 859 F.3d 741 (Hawaii v. Trump).
U.S. Supreme Court 10 oktober 2017, 138 S.Ct. 353 (Trump v. International Refugee Assistance); U.S. Supreme Court 24 oktober 2017, 138 S.Ct. 377 (Trump v. Hawaii); U.S. Court of Appeals (9th Circuit) 2 november 2017, 874 F.3d 1112 (Hawaii v. Trump); U.S. Court of Appeals (4th Circuit) 17 november 2017, 876 F.3d 116 (International Refugee Assistance v. Trump).
U.S. Supreme Court 26 juni 2008, 554 U.S. 570 (District of Columbia v. Heller); U.S. Supreme Court 28 juni 2010, 561 U.S. 742 (McDonald v. Chicago).
Zie daarover Van der Hulle 2016a.
U.S. Supreme Court 27 april 2020, 140 S.Ct. 1525 (New York State Rifle & Pistol Association v. City of New York).
Een andere horde die zal moet worden genomen voordat de Amerikaanse rechter aan een inhoudelijke beoordeling toekomt, is mootness. Mootness houdt in dat het belang van eiser niet mag zijn vervallen op het moment dat de rechter zich over het geschil buigt. Is het belang van eiser wel komen te vervallen, dan is niet langer sprake van ‘a live dispute’ en bestaat geen noodzaak meer voor de rechter om het geschil inhoudelijk te beslechten. Dit kan het gevolg zijn van diverse feiten en omstandigheden die dateren van na het aanhangig maken van het geschil. Het Hof spreekt dan over ‘subsequent developments’.1
Voorbeelden van recente zaken waarin het Hooggerechtshof de doctrine van mootness heeft toegepast, zijn die over het veelbesproken inreisverbod van President Trump dat hij kort na zijn aantreden in januari 2017 afkondigde.2 Dit verbod schort de toegang van personen uit een beperkt aantal, overwegend islamitische landen tot de Verenigde Staten op. Aanvankelijk gold het verbod voor 90 dagen. De korte periode tussen de afkondiging en inwerkingtreding van het inreisverbod leidde tot chaotische taferelen op vliegvelden en tot verwarring onder de autoriteiten belast met de handhaving daarvan. Het inreisverbod werd na de afkondiging daarvan ook direct voor de rechter aangevochten.
Nadat lagere rechters het inreisverbod hadden geschorst,3 nam President Trump een aangepaste versie van het inreisverbod aan.4 Net als de eerste versie, schortte deze tweede versie de toelating van personen uit een beperkt aantal, overwegend islamitische landen voor een nieuwe termijn van 90 dagen op.
Ook de tweede versie van het inreisverbod werd door tegenstanders aangevochten en door lagere rechters geschorst.5 Tegen de tijd dat het Hooggerechtshof zich over de tweede versie kon uitspreken, was de 90-dagen termijn echter verstreken. Om die reden verklaarde het Hof de tegen de tweede versie ingestelde beroepen moot. Ook de tegen de eerste versie aanhangige beroepen waren door de aanname van de tweede versie moot geworden.6
Een andere recente zaak waarin het Hooggerechtshof een zaak moot heeft verklaard en daarom een inhoudelijke beoordeling achterwege heeft gelaten, heeft betrekking op een in de stad New York geldende regeling die het verbood om vuurwapens vanuit huis naar locaties buiten de stad te vervoeren. Diverse organisaties meenden dat dit verbod een te vergaande inbreuk maakte op het uit het Tweede Amendement afgeleide recht op het houden en dragen van een vuurwapen.7 Dit recht is zeer omstreden.8 Tijdens deze procedure besloot het stadsbestuur om de regeling op onderdelen te wijzigen. Sindsdien is het voor burgers wel toegestaan om vuurwapens mee te nemen naar een tweede woning of schietbanen gelegen buiten de stad. Omdat appellanten hun betoog daarop hadden toegespitst, hadden zij bereikt wat zij met deze procedure beoogden. Het Hof verklaarde de zaak daarom moot.9