Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/5.4.1
5.4.1 Het leerstuk van justiciability nader bezien
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233731:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.2.2.
Kritisch hierover is Chemerinsky 1990, p. 677: ‘The entire area of justiciability is a morass that confuses more than it clarifies.’
U.S. Supreme Court 15 mei 2006, 547 U.S. 332 (DaimlerChrysler Corp. v. Cuno), 340-342: ‘The doctrines of mootness, ripeness, and political question all originate in Article III’s ‘case’ or ‘controversy’ language, no less than standing does.’ Zie kritisch hierover Dodson 2020.
Ook artikel III, § 2, en het daarin gemaakte onderscheid tussen ‘Cases’ en ‘Controversies’ vinden echter hun grondslag in de machtenscheiding. Zie U.S. Supreme Court 3 juli 1984, 468 U.S. 737 (Allen v. Wright), 750: ‘[T]he ‘case or controversy’ requirement defines with respect to the Judicial Branch the idea of separation of powers on which the Federal Government is founded.’
Rotunda en Nowak 2012, p. 462.
Het leerstuk van justiciability hangt nauw samen met artikel III, § 2, van de Amerikaanse Grondwet en daarmee met de rechterlijke functie of bevoegdheid. Deze bepaling luidt:
‘The judicial Power shall extend to all Cases […] arising under this Constitution, the Laws of the United States, and Treaties made, or which shall be made, under their Authority; [and] to Controversies […].’
Uit deze bepaling volgt dat de functie van de federale rechter zich uitstrekt tot de beslechting van ‘Cases’ en ‘Controversies’. Daarmee worden geschillen van civielrechtelijke, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke aard bedoeld.1
Niet ieder geschil kan echter als zodanig worden aangemerkt. Een eiser moet ook een voldoende belang hebben bij een beslissing over het geschil, dit belang mag niet zijn vervallen op het moment waarop de rechter zich daarover buigt, en het voorliggende geschil moet voldoende concreet en actueel zijn. De Amerikaanse federale rechter spreekt in dit verband over respectievelijk standing, mootness en ripeness. Deze doctrines worden geschaard onder het leerstuk van justiciability. Justiciability kan daarom worden gezien als een overkoepelend leerstuk dat het in artikel III, § 2, gemaakte onderscheid tussen ‘Cases’ en ‘Controversies’ nader invult.2 In Baker v. Carr bevestigde het Hof dat ook de political question-doctrine onder dit leerstuk kan worden geschaard.
De koppeling aan het leerstuk van justiciability is ook relevant voor de grondslag van de political question-doctrine doctrine. Omdat het leerstuk van justiciability nauw verband houdt met artikel III, § 2, van de Amerikaanse Grondwet, wordt ook wel die bepaling of het daarin gemaakte onderscheid tussen ‘Cases’ en ‘Controversies’ als grondslag van de doctrine genoemd.3
Standing, mootness, ripeness en de political question-doctrine vergen een afzonderlijke beoordeling. Heeft eiser standing, dan kan nog steeds sprake zijn van een political question of van een geschil dat nog niet ripe is om te worden beslecht of dat inmiddels moot is geworden. Omgekeerd geldt dat bij afwezigheid van een political question nog niet is gezegd dat eiser ook standing heeft en dat het geschil ripe is om te worden beslecht.
Tegelijkertijd geldt dat, nu deze doctrines alle samensmelten in het leerstuk van justiciability, de toepassing van ieder van deze doctrines leidt tot dezelfde conclusie: in dat geval is sprake van een nonjusticiable geschil. Het geschil valt dan buiten de functie of bevoegdheid van de federale rechter. Sommige auteurs menen dat in dit verband daarom beter kan worden gesproken over de doctrine van ‘nonjusticiability’:
‘The political question doctrine […] is a misnomer. It should more properly be called the doctrine of nonjusticiability.’4
Toch is het voor een goed begrip van belang om de political question-doctrine van standing, mootness en ripeness te onderscheiden.5 In het vervolg van deze paragraaf loop ik deze andere doctrines na. Daarbij zal blijken dat standing veruit de belangrijkste andere doctrine is en in belangrijke mate bijdraagt aan de beperkte betekenis van de political question-doctrine voor de Amerikaanse rechtspraktijk.