RvdW 2024/635:Ontucht met 3 minderjarige dochters, meermalen gepleegd (art. 244 en 245 jo. 248 lid 2 Sr en art. 249 lid 1 Sr). 1. Strafmotivering (gevangenisstraf van 9 jaren en vrijheidsbeperkende en gedragsbeïnvloedende maatregelen). Kunnen bewezenverklaarde feiten volledig aan verdachte worden toegerekend? 2. Duur vrijheidsbeperkende maatregel, art. 38v Sr. Kon hof vrijheidsbeperkende maatregel (contactverbod) van 5 jaren opleggen? 3. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. Verdediging heeft onder verwijzing naar gedragskundige rapportages van psycholoog en psychiater aangevoerd dat bij verdachte sprake is van verstandelijke beperking en dat tlgd. feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. Hof heeft met zijn oordeel dat het de bewezenverklaarde feiten volledig aan verdachte toerekent tot uitdrukking gebracht dat het (met het oog op strafoplegging) tot een van deze gedragsdeskundigen afwijkende waardering is gekomen van beoordelingsvermogen van verdachte. Daarbij heeft het hof betrokken dat de licht verstandelijke beperking van verdachte ‘niet zodanig afbreuk [heeft] gedaan aan normbesef bij verdachte dat gesteld kan worden dat hij niet voldoende besefte dat hij iets deed wat niet mocht.’ Oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is, ook in het licht van wat door verdediging i.h.k.v. straftoemeting naar voren is gebracht, toereikend gemotiveerd. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, is voor verdere toetsing van dit oordeel in cassatie geen plaats. Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte voor de in periode van 22 februari 2012 t/m 2 maart 2013 gepleegde feiten o.m. veroordeeld tot vrijheidsbeperkende maatregel van 5 jaren, terwijl wijziging van art. 38v lid 3 Sr (waarbij maximale duur van op te leggen vrijheidsbeperkende maatregel is verhoogd van 2 jaren naar 5 jaren) in werking is getreden op 1 juli 2015. Wijziging van deze bepaling houdt in het licht van art. 1 lid 1 Sr wijziging in van toepasselijke regels van sanctierecht. Gelet hierop is oplegging van maatregel voor duur van 5 jaren in strijd met hier toepasselijk art. 38v lid 3 Sr, zoals dat luidde tot 1 juli 2015. HR zal zaak in dit opzicht zelf afdoen en door hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel bepalen op de t.t.v. bewezenverklaard feit maximaal mogelijke duur van 2 jaren. Ad 3. HR ambtshalve: Duur van gijzeling beloopt ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. RvdW 2021/621). HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van 120, 120 en 120 dagen kan worden toegepast.