Einde inhoudsopgave
RvdW 2024/629
Vervolging na een voorwaardelijk sepot. Falende klacht over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in hoger beroep.
HR 11-06-2024, ECLI:NL:HR:2024:807
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11 juni 2024
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.E.M. Röttgering, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
22/02667
- Conclusie
A-G mr. D.J.M.W. Paridaens
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:807, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑06‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:352, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑04‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑04‑2023
- Wetingang
Art. 9a Sr
Essentie
Vervolging na een voorwaardelijk sepot, waarin als voorwaarde was opgenomen dat de verdachte zich niet aan enig strafbaar feit zou schuldig maken dan wel zich op andere wijze zou misdragen. De uitleg die het hof aan deze sepotvoorwaarde heeft gegeven, te weten dat deze niet ziet op een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit, maar op het ontstaan van een redelijke verdenking dat de veroordeelde zich aan enig strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, is niet onbegrijpelijk.
Samenvatting
Het cassatiemiddel steunt onder meer op de opvatting dat niet is voldaan aan de voorwaarde gesteld in de brief van 4 ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.