Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.1.2
3.1.2 Toepassingsgebied
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS492554:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie Ringeisen, EHRM 17 juli 1971, Serie A, 13.
Zie bijv. Rasmussen, EHRM 28 november 1984, Serie A, 87.
Zie bijv. Sporrong and Lönnroth, EHRM 23 september 1982, Serie A, 52.
Zie bijv. Buchholz, EHRM 6 mei 1981, Serie A, 42 en Langborger, EHRM 22 juni 1989, Serie A, 155.
Zie bijv. Guincho, EHRM 10 juli 1984, Serie A, 81.
Zie bijv. König, EHRM 28 juni 1978, Serie A, 27 en H. t. België, EHRM 30 november 1987, Serie A, 127-B.
Zie bijv. Feldbrugge, EHRM 29 mei 1986, Serie A, 99 en Deumeland, EHRM 29 mei 1986, Serie A, 100.
Zie Benthem, EHRM 30 september 1985, Serie A, 97.
Eskelinen e.a., EHRM 19 april 2007, appl. no. 63235/00, AB 2007, 317 m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik. Hierin neemt het Hof afstand van de lijn die het volgde sinds Pellegrin, EHRM 8 december 1999, appl. no. 28541/95. Zie over deze jurisprudentie ook R.J.B. Schutgens, ‘Reikwijdte artikel 6 EVRM in ambtenarenzaken; Pellegrin-criterium voldoet niet meer’, TAR 2007, p. 504-510.
Öztürk, EHRM 21 februari 1984, Serie A, 73, § 50, 53.
Voor het (militair) tuchtrecht is dat voor het eerst aanvaard in Engel, EHRM 8 juni 1976, Serie A, 22. Daarvoor beantwoordde de Commissie dit ontkennend.
Hierin ligt een cirkelredenering besloten: het is ‘straf’ als het straffend bedoeld is. Het Hof gebruikt de woorden ‘deterrent and punitive’, wat in de context van het arrest ook vertaald kan worden met afschrikwekkend en leedtoevoegend.
Zie Maaouia, EHRM 5 oktober 2000, appl. no. 39652/98.
Zie Ferrazzini, EHRM 12 juli 2001, appl. no. 44759/98.
Zie de hierboven genoemde zaken Pellegrin en Eskelinen e.a..
Zie het rapport van de Staatscommissie Grondwet, november 2010, p. 60 en T. Barkhuysen, A. Jansen, ‘Rechtsmiddelen tegen rechterlijke en bestuurlijke traagheid. Het EVRM noopt tot aanpassing van de Nederlandse rechtsorde’, NJB 2002, p. 842.
ABRvS 3 december 2008, LJN BG5910, AB 2009, 70 m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik; ABRvS 28 januari 2009, LJN BH1101; ABRvS 4 maart 2009, LJN BH4667; ABRvS 17 april 2009, LJN BI2283. In een recente uitspraak (ABRvS 9 februari 2011, zaak nr. 200908260/ 1/M2 met verwijzing naar ABRvS 7 april 2010, LJN BM0214) laat de Afdeling in het midden of de procedure ziet op het vaststellen van burgerlijke rechten of verplichtingen als bedoeld in artikel 6 EVRM, omdat zowel die bepaling als het daaraan ten grondslag liggende rechtszekerheidsbeginsel definitieve beslechting van een geschil binnen een redelijke termijn door de rechter eisen. De afdeling gaat dan meteen over tot toetsing van de procedure aan de jurisprudentie van het EHRM over de redelijke termijn. Zie ook T. Barkhuysen & B.J. van Ettekoven, ‘De compensatie voor schending van de redelijke termijn van art. 6 EVRM door de bestuursrechter’, NTB 2009, p. 129-141.
Zie CBB 8 september 2010, LJN BN6785; Rb. ‘s-Gravenhage 30 september 2009, LJN BJ9119.
Het toepassingsgebied van artikel 6 EVRM strekt zich uit tot de vaststelling van iemands burgerlijke rechten en verplichtingen (‘civil rights and obligations’) of de bepaling van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging (‘criminal charge’). Het eerste lid van artikel 6 EVRM geldt voor beide categorieën van zaken, terwijl het tweede en derde lid in beginsel alleen betrekking hebben op een ingestelde strafvervolging. Indien de aard van de zaak zich er echter niet tegen verzet, kunnen deze leden analoog worden toegepast op zaken waarin burgerlijke rechten en plichten worden vastgesteld. Om de reikwijdte van het artikel nauwkeurig vast te kunnen stellen, behoeven deze verdragsautonome begrippen nadere uitleg. Uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat de lidstaten vanaf het begin de intentie hadden om de bepaling een ruim toepassingsgebied te geven. Het Hof heeft dit in zijn jurisprudentie bevestigd door velerlei situaties onder de werking van artikel 6 EVRM te brengen.
Vaak stelt het Hof dat een bepaald geschil al dan niet betrekking heeft op een burgerlijk recht of verplichting zonder uitvoerige motivering. Burgerlijke rechten en verplichtingen zijn niet beperkt tot privaatrechtelijke rechtsbetrekkingen, ook publiekrechtelijke rechtsbetrekkingen kunnen er onder vallen. De hoedanigheid van partijen is in dit opzicht irrelevant, het gaat om de aard van het recht.1 Rechten of rechtsgebieden die het Hof heeft aangemerkt als ‘burgerlijk recht’ zijn onder meer: het personen- en familierecht,2 het eigendomsrecht,3 verbintenissen uit (onder andere arbeids- of huur-) overeenkomst,4 verbintenissen uit onrechtmatige daad,5 het recht op beroepsuitoefening,6 aanspraken op grond van sociale zekerheidswetgeving7 en een geschil over het verlenen van een vergunning om commerciële activiteiten uit te kunnen oefenen.8 Lange tijd golden zaken over de rechtspositie van ambtenaren met typisch publieke taken (politiefunctionarissen, militairen) niet als geschillen over burgerlijke rechten in de zin van artikel 6 EVRM, maar sinds de zaak Eskelinen e.a.gaat het Hof ervan uit dat artikel 6 EVRM van toepassing is op een ambtenarenzaak, tenzij het nationale recht de toegang tot de rechter uitdrukkelijk beperkt en daarvoor een objectieve rechtvaardiging is in het belang van de staat.9 Een algemene definitie van het begrip ‘burgerlijke rechten’ heeft het Hof nooit gegeven.
In de zaak Özturk heeft het Hof criteria geformuleerd om te bepalen of er sprake is van een strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM.10 Indien het nationale recht een verboden gedraging als strafbaar feit aanmerkt, is artikel 6 EVRM zonder meer van toepassing (eerste criterium). Maar het toepassingsbereik van die bepaling is niet beperkt tot strafvervolging. Ook procedures die naar nationaal recht bestuurs- of tuchtrechtelijk van aard zijn, kunnen zijn onderworpen aan de verdragsrechtelijke eisen van een eerlijk proces.11 Uit Özturk vloeit voort dat in de tweede plaats de aard van de overtreding bepalend is: als de norm zich tot alle burgers richt en de sanctie die op overtreding daarvan staat tot doel heeft af te schrikken en te straffen, is artikel 6 EVRM van toepassing.12 Tot slot kan een norm, ook als deze slechts gericht is tot een bepaalde groep met een bijzondere status, zoals bij tuchtrechtrechtelijke normen vaak het geval is, op grond van de aard en zwaarte van de sanctie strafrechtelijk in de zin van artikel 6 EVRM zijn (derde criterium).
Het Hof heeft artikel 6 EVRM zo ruim uitgelegd dat daaronder kort gezegd alle geschillen vallen waarbij een overheidsrechter is betrokken, met uitzondering van het vreemdelingenrecht,13 (delen van) het belastingrecht14 en (delen van) het ambtenarenrecht15.16 Overigens vloeit blijkens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uit het aan artikel 6 EVRM ten grondslag liggende rechtszekerheidsbeginsel voort, dat ook in vreemdelingenzaken en andere geschillen waarop artikel 6 EVRM niet van toepassing is een geschil binnen een redelijke termijn moet worden beslecht.17 Wat betreft de toepassing van dit beginsel wordt aangesloten bij de jurisprudentie van het Hof over de uitleg van artikel 6 EVRM. Andere Nederlandse rechterlijke instanties volgen deze lijn van de Afdeling.18