Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/11.5.2:11.5.2 Verzakelijking van het taalgebruik van de getuige
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/11.5.2
11.5.2 Verzakelijking van het taalgebruik van de getuige
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel vooral de monoloogvorm sterk de suggestie wekt dat het geheel het eigen verhaal van de getuigenverklaring betreft, komt de inhoud van de opgetekende verklaring in het proces-verbaal veelal niet overeen met de letterlijke bewoordingen die zijn gebruikt door de getuige tijdens het verhoor. Integendeel, de praktijk leert dat de monoloogvorm veelal geen woordelijke weergave van het gesprokene bevat. Dat is bij een volledige omzetting van een dialoog naar een monoloog ook bijna niet mogelijk. Als in een verhoor een vraag wordt gesteld die door de getuige bijvoorbeeld alleen wordt beantwoord met ja of nee, dan is de verbalisant genoodzaakt om de vraag toch te vermelden en wordt de vraag in de regel in het antwoord opgenomen. Op die manier worden de formuleringen van de verhorende functionaris rechtstreeks onderdeel van de op schrift gestelde verklaring. De verbalisant kan er wel voor kiezen om zijn eigen inbreng zichtbaar te maken, maar ook dat kan leiden tot gekunstelde zinsconstructies.1 De vragen die de verbalisant heeft gesteld worden ook dan opgetekend vanuit de persoon van de getuige: ‘U vraagt mij naar zijn signalement. Hij had een groot postuur, donker haar en droeg een rode muts’. Het is bij gebruik van de monoloogvorm dus niet goed mogelijk om bij de precieze bewoordingen van de getuige te blijven.
De verandering van het taalgebruik van de getuige is niet uitsluitend gelegen in de omzetting van monoloog naar dialoog. De wijzigingen hangen mede samen met de omzetting van mondelinge communicatie naar een schriftelijk stuk, met een specifieke vorm.2 Processen-verbaal zijn vaak afstandelijk of ‘zakelijk’ van toon, in de zin dat zij zijn ontdaan van emoties. Het taalgebruik is tevens veelal juridisch van aard en opgewaardeerd naar een ‘middenklasse niveau’.3 Met name in processen-verbaal van verhoor door de politie doen de gebruikte formuleringen vaak formeel, plechtstatig en daarmee enigszins kunstmatig aan.4 Uit de wijze van formuleren kan de lezer reeds afleiden dat de getuige deze woorden tijdens het verhoor niet letterlijk zo in de mond heeft genomen. Dat verbalisanten niet altijd letterlijk weergeven wat is gezegd, komt mede voort uit een behoefte om het gesprokene om te zetten in correct taalgebruik.
De herformulering van hetgeen de getuige heeft gezegd, geschiedt overigens niet alleen bij de politie, maar ook bij de rechter-commissaris. De rechtercommissaris dicteert een verklaring weliswaar aan de hand van de door hem tijdens het verhoor gemaakte aantekeningen, maar hij blijft daarbij ook niet altijd bij de letterlijke bewoordingen van de getuige. Bij het optekenen van verklaringen vindt ook hier weer een zekere opwaardering van het taalgebruik plaats, in de zin dat de rechter-commissaris foutieve zinsconstructies, foutief taalgebruik of grof taalgebruik niet zonder meer zal overnemen. Dit geldt ook voor de griffier ter terechtzitting. De eis van zakelijke verslaglegging laat in principe ook de griffier de ruimte om het verklaarde te herformuleren. De mate waarin het letterlijk gesprokene terugkomt in het proces-verbaal, hangt in feite bij iedere instantie sterk af van de persoon die het proces-verbaal opmaakt.