Morganatisch burgerschap
Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/6.3:6.3 Frans burgerschap en kiesrecht overzee
Morganatisch burgerschap 2019/6.3
6.3 Frans burgerschap en kiesrecht overzee
Documentgegevens:
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181114:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een uitzondering hierop vormt Algerije. Zie daarover paragraaf 3.2 (‘De meerwaarde van voor het ontstaan van het overzees Gemeenschapsrecht’).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In Hoofdstuk III is uiteengezet dat het Franse koloniale imperium twee koloniale golven heeft gekend in de zeventiende onderscheidenlijk de negentiende eeuw. In dat hoofdstuk is ook betoogd dat de constitutionele en politieke omgang van de Franse metropool met deze overzeese gebieden niet uniform was en in beginsel afhing van de vraag wanneer het overzeese gebied in kwestie was veroverd.1 Zo zijn bijvoorbeeld les quatre vieilles colonies eerder opgenomen in het Franse constitutionele raamwerk dan de gebieden die zijn veroverd gedurende de tweede koloniale golf. De betrokkenheid van de metropool met de overzeese gebieden was, zoals is gesteld in Hoofdstuk III, dermate sterk dat Frankrijk bij niet-opneming van deze gebieden in het Gemeenschapsrecht (slechts) geconditioneerd lid zou worden van de EEG. Aangezien een Europese gemeenschap met een Frankrijk dat geconditioneerd lid zou zijn, niet wenselijk was, hebben de andere lidstaten uiteindelijk ingestemd met de Franse wens dat de overzeese gebieden betrokken moesten worden in het raamwerk van de EEG. De vragen die in deze paragraaf centraal staan, luiden: wanneer hebben de overzeese ingezetenen het Franse burgerschap verkregen en wanneer konden zij op grond van het Franse burgerschap het kiesrecht uitoefenen voor de leden van het nationale vertegenwoordigende orgaan dat een (mede)wetgevende taak heeft. Het is in het kader van dit onderzoek relevant te bezien welke motieven aanwezig waren om het burgerschap en het kiesrecht uit te breiden naar de overzeese gebieden. Aan de hand van een schets van verschillende gebeurtenissen zal worden uiteengezet op welke wijze het burgerschapsbegrip en het kiesrecht voor het vertegenwoordigende orgaan van de Franse staat is uitgebreid naar de Franse overzeese gebieden.
De opzet van de paragraaf is als volgt. Allereerst zal aandacht worden besteed aan de rol van de overzeese gebieden gedurende de Franse Revolutie. Waar werden de overzeese gebieden in het revolutionaire kader geplaatst? Zoals zal blijken, deden zich verhitte discussies voor ten aanzien van de mogelijke toepasbaarheid van de Déclaration des droits de l’homme et du citoyen in de koloniën. Vervolgens zal aandacht worden besteed aan de revolutie in Saint- Domingue (het huidige Haïti), die zijn aanvang had in 1791, en de gevolgen daarvan voor de uitbreiding van het burgerschap. Ook wordt stilgestaan bij de ontwikkelingen in de jaren 1946-1956 ten aanzien van de uitbreiding van het Franse burgerschap naar de TOM en tot slot komt het burgerschap van Nieuw- Caledonië aan bod.
6.3.1 De koloniën en de Franse revolutie6.3.2 Slavenopstand en assimilatiepolitiek6.3.3 Het sluitstuk van de idealen van 1789: de Loi Lamine Guèye (1946) en de Loi-cadre Defferre (1956)6.3.4 Citoyenneté de la Nouvelle-Calédonie: differentiatie met behoud van uniformiteit6.3.5 De stand van het huidige recht