Einde inhoudsopgave
Transparante en eerlijke verdeling (Meijers-reeks) 2015/4.3.4
4.3.4 Wezenlijke wijziging
A. Drahmann, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
A. Drahmann
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 13 april 2010, zaak C-91/08 (Wall AG) en HvJ EU 19 juni 2008, zaak C-454/06 (Pressetext). Zie tevens: J.M. Hebly, ’Wezenlijke wijziging van een overheidsopdracht’, TBR 2008/157 en J.G.J. Janssen en D.C. Orobio de Castro, ’Kroniek van het Europese aanbestedingsrecht (2010-1)’, TBR 2010/126.
Vz. Rb. Amsterdam 1 juni 2012, LJN: BX3758. De Vz. overwoog dat het wezenlijk wijzigen van de opdracht na afloop van de aanbestedingsprocedure in strijd met het transparantieen gelijkheidsbeginsel is, omdat dit invloed zou kunnen hebben op de kring van gegadigden (potentiële inschrijvers). Er is geen sprake van een wezenlijke wijziging als er geen nieuwe voorwaarden worden gesteld, de oorspronkelijke werkzaamheden niet worden uitgebreid en de aanneemsom niet is gewijzigd. In dit geval schreef het bestek niet voor met welke methode de geforceerde consolidatie moest plaatsvinden. Hieruit leidt de Vz. af dat de keuze met welke methode zal worden gewerkt aan de inschrijver is overgelaten. Dat achteraf wordt gekozen voor een andere methode kan dan ook niet worden aangemerkt als het achteraf wijzigen van een selectiecriterium. Ook het wisselen van onderaannemer is geen wezenlijke wijziging, omdat niet is gebleken dat de keuze voor een specifieke onderaannemer beslissend zou zijn voor gunning.
Vz. Rb. Amsterdam 21 september 2012, LJN: BX9050. In deze procedure was de ingangsdatum verplaatst. Bij de uitleg van de reikwijdte van de planning neemt de Vz. als uitgangspunt of een redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijver de uitleg van de gemeente Amsterdam dat sprake is van een indicatieve planning kon verwachten. De Vz. constateert eerst dat geen sprake is van een wijziging waarin de aanbestedingsdocumentatie voorziet. De Vz. gaat vervolgens de overige criteria langs en concludeert dat het economisch evenwicht van de overeenkomst wijzigt in het voordeel van de opdrachtnemer op een wijze die door de voorwaarden van oorspronkelijke opdracht niet was bedoeld, indien de opdrachtnemer de mogelijkheid krijgt om vóór 1 januari 2013 uitvoering te geven aan de nieuwe overeenkomst.
Rb. Den Haag 3 oktober 2012, LJN: BY0155. De rechtbank oordeelt dat een 70%-voorverkoop voorwaarde een niet-toelaatbare wezenlijke wijziging oplevert.
Aldus de AG in zijn conclusie bij HR 6 april 2012, LJN: BV6696. De HR verwerpt het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO. In dit geval was de vraag aan de orde of het gebruik van een ander damwandtype (AZ 12-770 in plaats van AZ 13) een besteksconforme oplossing zou zijn en of het toelaten van een dergelijk alternatief type product zou leiden tot een ongeoorloofde substantiële wijziging van de opdracht.
Hof Arnhem 30 oktober 2012, LJN: BY2248.
Voorstel voor een richtlijn 2011/0438 (COD) van het Europees Parlement en de Raad betreffende het gunnen van overheidsopdrachten (COM(2011) 896 definitief). Zie over dit voorstel tevens: B.J.H. Blaisse-Verkooyen en D.C. Orobio de Castro, ’Voorstellen van de Europese Commissie voor nieuwe aanbestedingsrichtlijnen (deel 1), TBR 2012/44.
Uitgangspunt is volgens de Vz. dat op grond van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie de winnende inschrijver niet mag worden vervangen door een andere inschrijver zonder de opdracht opnieuw voor concurrentie open te stellen, tenzij deze mogelijkheid vooraf is ingebouwd in de aanbestedingsdocumenten en dat was hier niet het geval (Vz. Rb. Den Haag 24 januari 2012, LJN: BV1636 en BV1638).
In 2012 is in meerdere uitspraken de vraag aan de orde geweest of zich na de gunning van de opdracht wezenlijke wijzigingen hebben voorgedaan die maken dat er in aanbestedingsrechtelijke zin een nieuwe opdracht is ontstaan die Europees aanbesteed moet worden. In onder meer de arresten Wall en Pressetext1 is als uitgangspunt geformuleerd dat het wijzigen van bepalingen van de overeenkomst tijdens de geldigheidsduur ervan een nieuwe plaatsing van een opdracht kan zijn wanneer de wijzigingen kenmerken vertonen die wezenlijk verschillen van de bepalingen van de oorspronkelijke overeenkomst en die bijgevolg doen blijken van de wil van partijen om opnieuw te onderhandelen over de wezenlijke voorwaarden van deze overeenkomst. Het wezenlijk wijzigen van de opdracht na afloop van de aanbestedingsprocedure is in strijd met het transparantie- en gelijkheidsbeginsel, omdat dit invloed zou kunnen hebben op de kring van gegadigden (potentiële inschrijvers).2 Van een wezenlijke wijziging is sprake als: (1) een aanbesteder voorwaarden invoert, die, wanneer zij in de oorspronkelijke aanbestedingsprocedure waren genoemd, zouden hebben geleid tot (a) toelating van andere inschrijvers dan die welke oorspronkelijk waren toegelaten of (b) de keuze voor een andere offerte dan die waarvoor oorspronkelijk was gekozen; (2) een aanbesteder de opdracht in belangrijke mate uitbreidt tot diensten die oorspronkelijk niet waren opgenomen; of (3) een aanbesteder het economisch evenwicht van de overeenkomst wijzigt in het voordeel van de opdrachtnemer op een wijze die door de voorwaarden van de oorspronkelijke opdracht niet was bedoeld.3 Ook bij een private aanbesteding worden de Pressetext-criteria analoog toegepast.4
Ook als een alternatieve wijze van uitvoering besteksconform is, kan er wel degelijk sprake zijn van een benadeling van de andere inschrijvers en wordt inbreuk op het transparantie- en het gelijkheidsbeginsel gemaakt als het de winnende inschrijver wordt toegestaan het werk uit te voeren op een andere (en minder kostbare) wijze dan die waarmee hij had ingeschreven. Het uitgangspunt dat de gunning berust op een objectieve vergelijking van de verschillende inschrijvingen, wordt geweld aangedaan als het de winnende inschrijver wordt toegestaan na gunning te kiezen voor een andere wijze van uitvoering dan die waarmee hij heeft ingeschreven, welke andere wijze van uitvoering niet in de vergelijking van de verschillende inschrijvingen is betrokken of, indien zij daarin wel is betrokken, juist niet tot gunning aan de winnende inschrijver heeft geleid, in het geval dat deze ook met een op die andere werkwijze berustende variant heeft ingeschreven.5
Het transparantiebeginsel wordt niet geschonden door verlenging van een contractuele vervaltermijn. Het transparantiebeginsel gaat niet zover dat het zou verhinderen dat een aanbestedende dienst deze termijn verlengt. Wel vereist het gelijkheidsbeginsel in een dergelijk geval dat de verlenging geldt voor alle gepasseerde inschrijvers, zodat ook op procedureel vlak de gelijkheid tussen inschrijvers wordt gehandhaafd.6
In een uitspraak wordt niet alleen verwezen naar het Pressetext-arrest, maar ook al naar de (toekomstige) codificatie daarvan in artikel 72 van de richtlijn 2011/0438 (cod)7 van 20 december 2011.8