Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/11.5.8
11.5.8 Verbintenisrechtelijke aspecten
mr. mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS378213:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
GS Verbintenissenrecht/Den Tonkelaar, art. 6:213 BW, aant. 14 (online bijgewerkt tot 1 juli 2000).
Asser/Sieburgh 6-I (2016), nr. 6.
Asser/Sieburgh 6-I (2016), nr. 6 en 7.
Van Zeben Du Pon (1977), p. 1432 en 837 en 875.
T&C Burgerlijk Wetboek/Valk, art. 6:216 BW (online bijgewerkt tot 19 juni 2015).
Art. 6:217 BW.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III (2014), nr. 2. Bij de totstandkoming van de enquêteovereenkomst gelden dus ook de vereisten betreffende de totstandkoming van de overeenkomst, zoals de problematiek inzake de wil, verklaring en vertrouwen, alsmede het bij derden opgewekte vertrouwen (art. 3:34-36 BW); het tot stand komen van de wilsovereenstemming door middel van aanbod en aanvaarding (art. 3:37 BW en art. 6:217-225 BW); de leer van de wilsgebreken (art. 3:44 BW en art. 6:228 BW) en de vorm (art. 3:39 BW). Deze artikelen van Boek 3 BW gelden immers ook buiten het vermogensrecht (art. 3:59 BW). Het niet voldoen aan deze eisen leidt tot nietigheid of vernietigbaarheid van de overeenkomst. Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III (2014), nr. 601 e.v.
Bij het vaststellen van de betekenis van die verklaringen spelen de redelijkheid en billijkheid een rol. Zie HR 13 maart 1981, NJ 1981/635 (Haviltex), waarin de Hoge Raad overweegt dat niet met een taalkundige benadering kan worden volstaan, maar dat het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan het overeengekomene mochten toekennen, en hetgeen zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij een schriftelijk contract zal de taalkundige betekenis van de gebruikte bewoordingen vaak wel van belang zijn, maar de overige omstandigheden kunnen alsnog tot een afwijkende uitleg leiden, zie HR 20 februari 2004, NJ 2005/493 (DSM/Fox) en HR 5 april 2013, NJ 2013/214 (Lundiform/Mexx). Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III (2014), nr. 362-364.
Zie ING Zakelijk Krediet, Algemene Kredietvoorwaarden, Algemene Bepalingen van Pandrecht, Algemene Voorwaarden van de Bank, januari 2017, art. 6.2. Te raadplegen op: https://www.ing.nl/media/kredietverlening-bepalingen-bankvoorwaarden-pandrecht-internet.pdf.
Onder ‘kredietnemer’ vallen natuurlijke personen, rechtspersonen of samenwerkingsverbanden tussen natuurlijke personen, rechtspersonen of een combinatie van beide, zie art. 1 sub j van de Algemene Kredietvoorwaarden ING Zakelijk Krediet, januari 2017.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III (2014), nr. 489.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III (2014), nr. 489. Bij een beroep op dat artikel zou bijvoorbeeld kunnen meespelen dat in het gegeven geval, gezien de inhoud van en gelet op het verband met de kredietovereenkomst, het enquêtebeding verdergaande verplichtingen jegens ING schept, dan de rechtspersoon voor ogen stond bij het aangaan van de kredietovereenkomst.
HR 3 februari 2012, JOR 2012/200 m.nt. Schuiling (Dix/ING).
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III (2014), nr. 464.
Zie HR 13 maart 1981, NJ 1981/635 (Haviltex), HR 20 februari 2004, NJ 2005/493 (DSM/ Fox) en HR 5 april 2013, NJ 2013/214 (Lundiform/Mexx).
De Hoge Raad aanvaardt slechts een uitzondering op voornoemd beginsel in geval van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in art. 6:258 BW. Zie HR 21 oktober 1988, NJ 1990/439 (Mondia/Calanda) en HR 10 augustus 1994, NJ 1994/688 (Aerts/Keepkens).
HR 10 juni 2016, JOR 2016/294 m.nt. Brouwer (Pensioenfonds Alcatel-Lucent/Alcatel- Lucent).
HR 28 oktober 2011, NJ 2012/685 (Gemeente De Ronde Venen/Stedin) en HR 14 juni 2013, NJ 2013/341 (Auping/Beverslaap).
Een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst kan naar de bedoeling van partijen niet- opzegbaar zijn, met dien verstande dat de wederpartij van degene die zich op de niet-opzegbaarheid beroept, onder omstandigheden daartegen een beroep kan doen op art. 6:248 lid 2 BW en 6:258 BW. Zie HR 15 april 2016, JOR 2016/189 m.nt. Blanco Fernández (Provincie Noord-Holland c.s./Gemeente Amsterdam).
In art. 2:346 lid 1 sub e BW is bepaald dat de rechtspersoon de enquêtebevoegdheid ‘bij overeenkomst’ kan verlenen. De enquêteovereenkomst lijkt mij op het eerste gezicht geen obligatoire overeenkomt als bedoeld in art. 6:213 BW. Daarvoor is van belang dat de overeenkomst een verbintenis schept voor een van de contractspartijen.
De plaats van de enquêteovereenkomst in Boek 6 BW
Op de vraag wat een verbintenis is, geeft de wet noch toelichting een antwoord. Het gaat in ieder geval om een rechtsverhouding waarin een rechtsplicht bestaat alsmede een daarmee corresponderend subjectief vermogensrecht van degene jegens wie die rechtsplicht bestaat.1 Een verbintenis is vermogensrechtelijke betrekking tussen twee of meer personen, op grond waarvan de een jegens de ander tot een prestatie gerechtigd is en deze jegens gene tot die prestatie verplicht is. Wanneer een verbintenis in het leven wordt geroepen, ontstaat dus enerzijds een recht, anderzijds een daarmee overeenstemmende verplichting.2
Bij het verlenen van de enquêtebevoegdheid ontstaat een recht voor de enquêteverkrijger en een verplichting voor de vennootschap te dulden dat de enquêteverkrijger jegens haar een enquêteverzoek kan indienen. In zoverre lijkt een verbintenis tot stand te komen. De vraag is echter of hiermee een vermogensrechtelijke betrekking in het leven is geroepen. De verbintenis is namelijk een vermogensrechtelijke betrekking tussen twee of meer personen.3 De enquêteovereenkomst is geen vermogensrechtelijke rechtsbetrekking en draagt volgens mij ook geen vermogensrechtelijk karakter, omdat daarin een rechtspersoonrechtelijke bevoegdheid in de zin van Boek 2 BW wordt toegekend. Dit maakt naar mijn mening dat een enquêteovereenkomst niet, althans niet rechtstreeks, onder het toepassingsbereik van Titel 6.5 BW (over overeenkomsten in het algemeen) valt.
Wel zijn de bepalingen van Titel 6.5 BW ingevolge art. 6:216 BW in beginsel van overeenkomstige toepassing op andere meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen die geen overeenkomsten in de zin van art. 6:213 BW zijn. De parlementaire geschiedenis van art. 6:216 BW laat zien dat de term meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen ruim wordt geïnterpreteerd. Met die term is niet a contrario gezegd dat buiten de aangegeven gevallen voor een analogische toepassing van Titel 6.5 BW geen plaats is.4 Het toepassingsbereik van art. 6:216 BW strekt zich ook uit tot familierechtelijke, publiekrechtelijke en bewijsrechtelijke meerzijdige rechtshandelingen.5 Gelet op deze ruime interpretatie valt de enquêteovereenkomst – een niet vermogensrechtelijke meerzijdige rechtshandeling – naar mijn mening evenzeer onder het toepassingsbereik van art. 6:216 BW. Daarmee zijn de bepalingen van afdeling 1-4 van Titel 6.5 BW in beginsel van overeenkomstige toepassing.
Totstandkoming en inhoud enquêteovereenkomst
De enquêteovereenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding.6 Voor het aangaan van een overeenkomst (meerzijdige rechtshandeling) is de samenwerking van twee of meer personen nodig voor het intreden van het rechtsgevolg.7 De enquêtebevoegdheid is dus pas verleend als de wederpartij het verkrijgen van die bevoegdheid heeft aanvaard.
Indien de enquêteovereenkomst geldig tot stand is gekomen, dient haar inhoud te worden vastgesteld. Is de enquêtebevoegdheid blanco verleend, dat wil zeggen zonder beperkingen in tijd of voorwaarden, dan brengt dit niet noodzakelijk mee dat de enquêteverkrijger de enquêtebevoegdheid onbeperkt en tot het eind der tijden kan gebruiken. Het komt daarbij niet alleen aan op de zuiver taalkundige uitleg van de overeenkomst. Vastgesteld moet worden wat de betekenis is van de door de vennootschap en de enquêteverkrijger afgelegde verklaringen en dus van de daardoor ontstane enquêtebevoegdheid.8 Uit § 11.6 blijkt namelijk dat het de vennootschap vrijstaat om de door haar verleende enquêtebevoegdheid aan voorwaarden te onderwerpen.
Enquêtebeding in algemene voorwaarden
De ING bank bedingt de enquêtebevoegdheid van haar kredietnemer bij het verstrekken van een zakelijk krediet. Dit beding is niet opgenomen in de kredietovereenkomst, maar in de algemene kredietvoorwaarden van ING. De bepaling luidt als volgt:
“De kredietnemer geeft aan de bank de bevoegdheid om een verzoekschrift in te dienen om een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken van de kredietnemer. Het verzoekschrift is geregeld in artikel 2:345 van het Burgerlijk Wetboek. Het verzoekschrift wordt ingediend bij de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. De bank krijgt de bevoegdheid op basis van artikel 2:346 lid 1 sub e van het Burgerlijk Wetboek. De bank mag de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam vragen voorlopige voorzieningen te treffen. De bank mag ook een ander verzoek doen als dat verzoek hoort tot de bevoegdheid van een verzoeker van een dergelijk onderzoek.”9
Indien de kredietnemer een rechtspersoon als bedoeld in art. 2:344 BW is dan kan die rechtspersoon de enquêtebevoegdheid aan ING verlenen.10
Met het opnemen van dit beding in de algemene voorwaarden brengt ING afdeling 6.5.3 BW inzake de algemene voorwaarden ten tonele. Deze afdeling biedt bescherming tegen het gebruik van algemene voorwaarden die onredelijk bezwarend zijn. Die bescherming geldt echter alleen voor consumenten en kleine ondernemers en rechtspersonen. Grote ondernemers zijn voldoende geëquipeerd om zich te weren, zo is de gedachte.11 In art. 6:235 BW is bepaald dat de bescherming van art. 6:233 BW en 6:234 BW niet toekomt aan ‘grote’ rechtspersonen. Het gaat om rechtspersonen bedoeld in art. 2:360 BW die een jaarrekening gepubliceerd hebben (en dus niet kunnen volstaan met een beperkte balans ex art. 2:396 lid 7 BW) of die geen jaarrekening hoeven te publiceren ingevolge de regeling voor groepsmaatschappijen van art. 2:403 BW, alsmede om wederpartijen die (nog) geen jaarrekening hebben gepubliceerd en 50 of meer werknemers hebben. Een BV die ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst met ING laatstelijk haar jaarrekening openbaar heeft gemaakt, valt dus onder het criterium van art. 6:235 BW. Dit betekent dat Titel 6.5.3 BW geen bescherming biedt. De BV moet het enquêtebeding in de algemene kredietvoorwaarden in beginsel tegen zich laten gelden. Art. 6:235 BW sluit echter niet uit dat de BV zich ten aanzien van het enquêtebeding op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ex art. 6:248 lid 2 BW beroept.12
De rechtspersonen die niet onder het criterium van art. 6:235 BW vallen, komt de bescherming van art. 6:233 BW en 6:234 BW wel toe. Voor het antwoord op de vraag of het enquêtebeding in de algemene kredietvoorwaarden van ING onredelijk bezwarend is, kan wellicht aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak over bulkverpanding waarin de Hoge Raad een onherroepelijke volmacht in de algemene voorwaarden van een kredietovereenkomst terzake van die verpanding niet onredelijk bezwarend acht.13
Een andere vraag is of de enquêtebevoegd van ING blijft bestaan als het krediet is afgelost. De kredietovereenkomst (waarvan de algemene voorwaarden onderdeel uitmaken14) komt daarmee doorgaans niet tot een einde. Deze vraag dient beantwoord te worden aan de hand van de uitleg van de overeenkomst. Zoals ik hiervoor schrijf, komt het daarbij aan op de betekenis van de door partijen afgelegde verklaringen en dus van de daardoor ontstane enquêtebevoegdheid.15 Indien partijen niets hebben afgesproken, lijkt mij in het algemeen dat de enquêtebevoegdheid van ING eindigt zodra het krediet is afbetaald. De reden voor het bedingen van die bevoegdheid is juist om een effectief rechtsmiddel in handen te hebben indien “verzuim onder de kredietrelatie” dreigt en er gegronde redenen aanwezig zijn om te twijfelen aan een juist beleid van de kredietnemer. Deze basis voor enquêtebevoegdheid vervalt als het krediet is afgelost. Ik verwacht dat de OK een enquêteverzoek van ING in een dergelijk geval zal afwijzen op grond van de algemene procesregel van art. 3:303 BW: geen vordering zonder belang.
Einde enquêteovereenkomst
Tot slot sta ik stil bij de vraag wanneer een enquêteovereenkomst eindigt. De contractspartijen kunnen de enquêteovereenkomst uiteraard met wederzijds goedvinden beëindigen. Maar wat als de wederpartij van de vennootschap zijn contractuele enquêtebevoegdheid niet wil opgeven? Is de enquêteovereenkomst voor eenzijdige opzegging vatbaar? Bij de beantwoording van deze vraag kan de rechtspraak over de opzegging van duurovereenkomsten uitkomst bieden.
Indien de enquêteovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan – zoals in Smit Transformatoren -, is er volgens mij geen onduidelijkheid. Die overeenkomst is in beginsel niet vatbaar voor opzegging, tenzij anders is overeengekomen.16 Voorziet de enquêteovereenkomst voor bepaalde tijd wel in een bevoegdheid tot opzegging, dan kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid niettemin in de weg staan aan een opzegging op een bepaald moment. Men denke bijvoorbeeld aan de situatie waarin de vennootschap de enquêteovereenkomst opzegt, omdat het bestuur vreest dat de contractueel enquêtegerechtigde op korte termijn een enquêteverzoek indient dat zich onder meer richt op het gedrag van het bestuur.17
Ook bij een enquêteovereenkomst voor onbepaalde tijd waarbij een opzeggingsbevoegdheid is opgenomen, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in de weg staan aan een opzegging op een bepaald moment of opzegging zonder zwaarwegende grond.18
Is de enquêteovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan waarin niet is voorzien in de mogelijkheid van opzegging, dan kan de bevoegdheid daartoe niettemin naar de aard van de overeenkomst uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Dit betekent dat een voor onbepaalde tijd aangegane enquêteovereenkomst in beginsel opzegbaar is. Daarmee is echter niet gezegd dat er ook altijd een opzeggingsbevoegdheid is. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en de inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat.19 De bevoegdheid tot opzegging van een enquêteovereenkomst kan derhalve van geval tot geval verschillen, al naar gelang de inhoud van de overeenkomst en de daarbij betrokken belangen van partijen. Zo kan ik me voorstellen dat opzegging van de enquêteovereenkomst die ABN Amro met de ondernemingsraad heeft gesloten (§ 11.6) slechts mogelijk is indien daarvoor een zwaarwegende grond bestaat. Denkbaar is zelfs dat die overeenkomst naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar is, omdat beoogd is de werknemers een permanent rechtsmiddel te geven wanneer het belang van ABN Amro in het geding is.20