Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/12.5.8
12.5.8 Conclusie
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS445059:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Tjepkema is minder overtuigd dat de vergoeding van schaduwschade gebaseerd kan worden op het (aan art. 4:126 Awb ten grondslag liggende) égalitébeginsel (zie Tjepkema 2010, p. 319-321). Hij voorziet onder meer problemen door de rechtspraak waaruit zou volgen dat het égalitébeginsel geen grondslag biedt voor de vergoeding van toekomstige schade die slechts onzeker of mogelijk is. Hij miskent daarmee mijns inziens echter dat schaduwschade geen toekomstige, onzekere of mogelijke schade is. Schaduwschade (bijvoorbeeld in de vorm van een waardedaling van grond en daarmee verbonden objecten) ontstaat door een voornemen en treedt reeds in voordat de voor de uitvoering van het voornemen benodigde publiekrechtelijke rechtshandelingen zijn verricht. Op het moment waarop sprake is van een voornemen, is de (daardoor veroorzaakte) schade (bijvoorbeeld waardedaling) derhalve niet toekomstig en onzeker, maar actueel en zeker. Dat het voornemen uiteindelijk mogelijk niet gerealiseerd wordt en de schade (bijvoorbeeld waardedaling) daardoor weer verdwijnt doet daar niet aan af.
Gelet op het voorgaande kan naar mijn oordeel het recht op onteigening of schadevergoeding in schaduwschadesituaties 1, 2b en 3 worden gebaseerd op artikel 4:126 Awb.1 De benadeelde kan dat recht in die situaties geldend maken door een verzoek om onteigening of schadevergoeding te doen. Dat verzoek resulteert in een beschikking als bedoeld in artikel 1:3 lid 2 Awb waartegen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat.