Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/12.5.1
12.5.1 Inleiding
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS446288:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Onder de huidige omgevingsrechtelijke wetten komt schaduwschade, zoals gezegd, niet voor vergoeding in aanmerking (zie paragraaf 12.1).
Hoewel dit artikel nu nog niet in werking is getreden, is het gerechtvaardigd thans reeds te onderzoeken of het recht op onteigening of schadevergoeding gebaseerd kan worden op dit artikel. Het is (tezamen met de andere bepalingen van titel 4.5 van de Awb) immers door bekendmaking in het Staatsblad (Stb. 2013, 50) al wel tot wet verheven.
In het bijzonder wordt zo voorkomen dat mogelijke afbakeningsproblemen ontstaan tussen schaduwschade, die dan op grond van de nieuw in te voeren wettelijke regeling vergoed zou moeten worden, en andere schade, die op grond van art. 4:126 Awb vergoed zou moeten worden.
Dat is slechts anders, indien de schadeveroorzakende overheidsmaatregel een wet in formele zin is (zie paragraaf 10.5.2).
Terzijde merk ik nog op dat daarmee ook de proceskostenregeling van art. 7:15 en art. 8:75 Awb van toepassing is. Indien de benadeelde kosten voor schadedeskundigen moet maken voor zijn verzoek om onteigening of schadevergoeding, dan komen deze kosten (bij inwilliging van zijn verzoek) bovendien voor vergoeding in aanmerking op grond van art. 4:129 aanhef en onder b Awb (voor zover zij noodzakelijk en redelijk zijn). Overigens doet het bestuursorgaan er over het algemeen ook verstandig aan deskundigen in te schakelen bij de beoordeling van het verzoek (vergelijk ook de door art. 4:130 Awb erkende mogelijkheid om een adviescommissie in te schakelen). Als het geen deskundigen inschakelt, zal een besluit op het verzoek namelijk waarschijnlijk al snel sneuvelen wegens een zorgvuldigheids- en/of motiveringsgebrek.
In de paragrafen 12.3 en 12.4 is uiteengezet in welke situaties en onder welke voorwaarden een recht op onteigening of schadevergoeding zou moeten bestaan in situaties van schaduwschade. In deze paragraaf wordt nader bekeken hoe dit recht in het Nederlandse recht juridisch vormgegeven kan worden, zodat dit recht binnen de Nederlandse rechtsorde bestaat en door burgers afgedwongen kan worden.1 Een eerste mogelijkheid is uiteraard dat een nieuwe wettelijke regeling wordt uitgevaardigd, waarin is neergelegd in welke situaties en onder welke voorwaarden bij schaduwschade een recht op onteigening of schadevergoeding bestaat. In zo’n regeling kan dan ook de procedure voor het geldend maken van dat recht geregeld worden.2 Een tweede mogelijkheid is dat het recht op onteigening of schadevergoeding door interpretatie gebaseerd wordt op de toekomstige algemene nadeelcompensatieregeling van artikel 4:126 Awb.3 Deze tweede mogelijkheid heeft als voordeel dat zij aansluit bij de (uit de invoering van artikel 4:126 Awb blijkende) wens van de wetgever om één algemene nadeelcompensatieregeling voor rechtmatig door de overheid toegebrachte schade te hebben in plaats van verschillende bijzondere regelingen. Het baseren van het recht op onteigening of schadevergoeding op artikel 4:126 Awb heeft (ten opzichte van de invoering van een nieuwe wettelijke regeling) bovendien als voordelen dat geen wetswijziging nodig is en dat het nadeelcompensatierecht niet ingewikkelder en onoverzichtelijker wordt dan het al is.4 Daarom pleit ik niet voor het invoeren van een nieuwe wettelijke regeling op basis waarvan in schaduwschadesituaties 1, 2b en 3 een recht op onteigening of schadevergoeding zou bestaan. Het recht op onteigening of schadevergoeding kan in die drie schaduwschadesituaties gebaseerd worden op artikel 4:126 Awb.5 Dat betekent dat een benadeelde een verzoek om onteigening of schadevergoeding kan doen en dat de beslissing op dit verzoek een beschikking in de zin van artikel 1:3 lid 2 Awb is. Tegen die beschikking staan bezwaar en beroep bij de bestuursrechter open.6 Hieronder zet ik dit nader uiteen.